Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
in remsuch as mortgages, liens or pledges;
CCS Decides to Annul Antrix-Devas Deal
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 en 2zijn gericht tegen rov. 5.8-5.12 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht op juiste gronden heeft aangenomen dat sprake is van een ‘investering’ in de zin van het Verdrag, zodat het bevoegd was over de vorderingen van Devas c.s. te oordelen.
Salini Costruttori/Morocco. [6] Deze arbitrage werd weliswaar beheerst door het ICSID-verdrag [7] , maar de
Salini-criteria gelden ook buiten de context van het ICSID-verdrag, zoals dit volgens het onderdeel onder meer volgt uit een aantal arbitrale vonnissen [8] en uit de conclusie van A-G Szpunar voorafgaand aan het arrest van het HvJEU in de zaak
Moldavië/Komstroy. [9] Het onderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend.
bilateral investment treaty(BIT)). ICSID-scheidsgerechten zullen daarnaast toetsen of de investering ook valt binnen het beschermingsbereik van het ICSID-verdrag. [11] Indien aan deze ‘dubbele’ toets is voldaan, is het ICSID-scheidsgerecht bevoegd over het geschil te oordelen.
Saliniheeft het ICSID-scheidsgerecht aan de hand van de volgende maatstaf bepaald of sprake was van een ‘investering’ in de zin van art. 25 lid 1 ICSID Pro-verdrag:
Salini-criteria (gedeeltelijk) hebben verworpen en/of andere kenmerken in aanmerking hebben genomen. [13] Met name over de toepasselijkheid van het
Salini-criterium dat een bijdrage moet worden geleverd aan de economische ontwikkeling van het gastland, lijkt geen consensus te bestaan onder de ICSID-scheidsgerechten. [14] Er zijn ook ICSID-scheidsgerechten geweest die het beschermingsbereik van het toepasselijke BIT doorslaggevend hebben geacht, zodat een zelfstandige toetsing aan art. 25 lid 1 ICSID Pro-verdrag en daarmee aan de
Salini-criteria achterwege kon blijven. [15]
Salini-criteria. [17] De uitleg van een dergelijk investeringsverdrag wordt beheerst door art. 31-33 Weens Verdragenverdrag (hierna: WVV). [18] De hoofdregel luidt dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag (art. 31 lid 1 WVV Pro). [19] Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met, onder meer, iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast (art. 31 lid Pro 3, onder c, WVV). In het arrest van de Hoge Raad inzake
Russische Federatie/HVYis geoordeeld dat niet is gebleken van het bestaan van bronnen waaruit blijkt dat internationaal erkende beginselen van internationaal investeringsrecht bestaan, inhoudend dat elk investeringsverdrag slechts bescherming zou verlenen aan investeringen waarmee een economische bijdrage wordt geleverd aan het gastland, ongeacht of het desbetreffende verdrag een definitie van de term ‘investering’ bevat. [20]
Salini-criteria heeft begrepen – is voldaan. Het hof heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of het scheidsgerecht verplicht was om dit autonome concept toe te passen. Reeds hierom kan, anders dan het onderdeel betoogt, niet worden gezegd dat het hof heeft miskend dat het begrip ‘investering’ een autonome, objectieve betekenis heeft.
Salini-criteria blijkt, van belang zijn voor de uitleg van het begrip ‘investment’ in de zin van het Verdrag. Volgens het onderdeel heeft het hof ook art. 10:2 BW Pro en art. 25 Rv Pro miskend, omdat het hof zelf de rechtsgronden van buitenlands en internationaal recht had moeten aanvullen en van partijen geen onderbouwing had mogen vergen.
Salini-criteria of anderszins te beoordelen of sprake was van een ‘investering’ in de zin van art. 25 lid 1 ICSID Pro-verdrag. Zoals bij de bespreking van onderdeel 1.1 is opgemerkt, heeft de Hoge Raad in het arrest
Russische Federatie/HVYgeoordeeld dat niet is gebleken van het bestaan van bronnen waaruit blijkt dat internationaal erkende beginselen van internationaal investeringsrecht bestaan, inhoudend dat elk investeringsverdrag slechts bescherming zou verlenen aan investeringen waarmee een economische bijdrage wordt geleverd aan het gastland, ongeacht of het verdrag een definitie van het begrip ‘investering’ bevat. India heeft in cassatie geen bronnen aangevoerd die meebrengen dat van dit oordeel moet worden afgeweken. De door India aangehaalde arbitrale rechtspraak geeft geen blijk van een algemene – dat is een omvangrijke en vrijwel uniforme – statenpraktijk [21] met betrekking tot de toepassing van de
Salini-criteria buiten de context van het ICSID-verdrag. Bovendien hebben de scheidsgerechten in de zaken
Romak/Uzbekistan(inzake de verkoop van tarwe) [22] en
Alps Finance/Slovakia(inzake koop van vorderingen) [23] weliswaar een autonome, objectieve betekenis toegekend aan het begrip ‘investering’ uit het toepasselijke BIT, maar daarbij niet alle
Salini-criteria in aanmerking genomen. Aan het (vijfde) criterium van een bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland is in beide gevallen niet getoetst. In de door het ICSID-verdrag beheerste zaak
KT Asia/Kazakhstanwas tussen partijen niet in geschil dat het begrip ‘investering’ in het toepasselijke BIT en in art. 25 lid 1 ICSID Pro-verdrag dezelfde betekenis had. [24] Overigens ging ook hier het scheidsgerecht voorbij aan het criterium van een bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland. [25]
Moldavië/Komstroykan India niet baten. In deze uitspraak heeft het HvJEU geoordeeld dat een vordering die voortvloeit uit een contract voor de levering van elektriciteit geen ‘investering’ in de zin van het Energiehandvest is. [26] Dit oordeel heeft het HvJEU gebaseerd op de toepasselijke verdragsbepalingen en niet op een autonome, objectieve definitie van het begrip ‘investering’. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van het HvJEU heeft A-G Szpunar in dit verband slechts opgemerkt dat de letterlijke uitleg van deze bepalingen strookt met de gewone betekenis van het begrip ‘investering’. De objectieve definitie van het begrip ‘investering’, die in het kader van het ICSID-verdrag is ontwikkeld, bevat volgens de A-G de belangrijkste aspecten van het begrip ‘investering’ en is in de doctrine vaak herhaald als suggestie voor een algemene definitie van dit begrip. [27]
Russische Federatie/HVY, een beginsel van internationaal gewoonterecht bestaat dat inhoudt dat elk investeringsverdrag slechts bescherming verleent aan investeringen die aan de
Salini-criteria voldoen, althans waarmee een economische bijdrage wordt geleverd aan het gastland. India erkent ook zelf dat in de arbitrale rechtspraak en literatuur geen consensus bestaat over de vraag of het begrip ‘investering’ objectief of subjectief moet worden uitgelegd, of een objectieve betekenis van het begrip ‘investering’ meebrengt dat aan verschillende voorwaarden moet zijn voldaan en of sprake moet zijn van een bijdrage aan de economie van het gastland. [28] Ook is niet gebleken van een dergelijk rechtsbeginsel dat specifiek tussen India en Mauritius van toepassing zou zijn.
Salini-criteria integraal zouden zijn toegepast, aangezien – zoals ik heb besproken – ook onder ICSID-scheidsgerechten geen consensus bestaat over de exacte criteria waaraan een investering in de zin van art. 25 lid 1 ICSID Pro-verdrag moet voldoen.
Salininoch uit het ICSID-verdrag of een andere rechtsbron. Ook heeft het hof miskend dat een verdrag moet worden uitgelegd in de context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag, die mede blijken uit de preambule. De preambule van het Verdrag laat geen andere conclusie toe dan dat een bijdrage moet worden geleverd aan de economische ontwikkeling van het gastland, aldus het onderdeel.
Salini-criterium is voldaan. Het onderdeel is dus gericht tegen een niet zelfstandig dragend oordeel van het hof, zodat het onderdeel faalt.
Salini-criteria heeft toegepast.
Salini-criterium vereist dat daadwerkelijk een bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland wordt geleverd of zal worden geleverd.
Salini-criteria en wordt niet consequent door ICSID-scheidsgerechten toegepast. Uit de
Salini-uitspraak zelf kan worden afgeleid dat de criteria met elkaar samenhangen (‘interdependent’) en globaal (‘globally’) moeten worden beoordeeld. [33] Het scheidsgerecht heeft in de
Salini-uitspraak over de vraag of de investering een bijdrage levert aan de economische ontwikkeling van Marokko het volgende overwogen:
Salinihebben ook andere ICSID-scheidsgerechten overwogen dat het criterium in samenhang dient te worden bezien met de andere criteria en als zodanig zelfstandige betekenis mist, en dat de bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland moet worden voorondersteld indien aan de overige criteria is voldaan, niet in de laatste plaats omdat het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, is om te bepalen of een bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland is geleverd of zal worden geleverd. Ter illustratie wijs ik op de volgende zaken. [36]
Phoenix Action/Czech Republicheeft het scheidsgerecht overwogen dat:
L.E.S.I. - DIPENTA/Algeriaheeft het scheidsgerecht overwogen dat:
RSM/RCA:
Salini-criterium hebben toegepast. [43] In de zaken
Jan de Nul/Egypt [44] en
Helnan International Hotels/Egypt [45] was de benadering van de scheidsgerechten echter vergelijkbaar met die van het scheidsgerecht in
Salini. Slechts in de zaak
Malaysian Historical Salvors/Malaysia [46] heeft de arbiter uitgebreid geanalyseerd of sprake was van een significante bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland, juist omdat niet (op het eerste gezicht) aan de overige
Salini-criteria leek te zijn voldaan. [47]
Bayindir/Pakistan, onder verwijzing naar het reeds aangehaalde arbitraal vonnis uit
L.E.S.I. - DIPENTA/Algeria, overwogen dat:
Patrick Mitchell/Congoheeft het ad hoc Comité (art. 52 ICSID Pro-verdrag) in de vernietigingsprocedure overwogen dat:
Salini-criteria is voldaan. Subsidiair betoogt het onderdeel dat een nadere motivering ontbreekt waaruit kan worden opgemaakt waarom de betalingen in dit geval een bijdrage hebben geleverd of zouden kunnen leveren aan de economische ontwikkeling in India.
Salini-criteria, omdat hooguit sprake was van een ‘pre-investment’. Hiermee doelt India op een voorbereidingsfase waarin de benodigde vergunningen ontbraken, onzeker was of deze vergunningen in de toekomst zouden worden verkregen en de dienstverlening nog (lang) niet was uitgerold. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat sprake kan zijn van betalingen in een voorbereidingsfase die op zichzelf niet voldoen aan de
Salini-criteria. Het oordeel van het hof in rov. 5.8 dat van een ‘pre-investment’ geen sprake was ‘aangezien door Devas c.s. daadwerkelijke investeringen zijn gedaan in de zin van het Verdrag’, is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, (mede) omdat het hof niet kenbaar of voldoende begrijpelijk heeft gereageerd op deze stelling van India, aldus het onderdeel.
Salini-criteria toegepast en geoordeeld dat reeds met de kapitaalstortingen van Devas c.s. en de aanwending daarvan door Devas Multimedia aan die criteria is voldaan. In rov. 5.10 heeft het hof de stelling van India verworpen dat eerst na verlening van alle vergunningen, vereist voor de uitvoering van de telecommunicatiediensten door Devas Multimedia, van een ‘investering’ in de zin van het Verdrag kan worden gesproken. Het hof heeft daartoe overwogen dat mogelijke onzekerheid over de verlening van vergunningen hoogstens kan betekenen dat aan de investering van Devas c.s. bepaalde risico’s waren verbonden, die een effect zouden kunnen hebben op de waarde van de investering, maar niet maakt dat in het geheel niet van een investering sprake zou zijn.
Salini-criteria voldoen en slechts een ‘pre-investment’ betreffen, door uitdrukkelijk te toetsen aan de
Salini-criteria in rov. 5.9. Hieruit volgt dat niet kan worden gezegd dat het hof heeft miskend dat sprake kan zijn van betalingen in een voorbereidingsfase die niet aan de
Salini-criteria voldoen, noch dat het oordeel van het hof dat hiervan geen sprake is, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het onderdeel stuit hierop af.
Salini-criteria specifiek zouden meebrengen dat afzonderlijk moet worden getoetst of geen sprake is van een ‘pre-investment’. Dit volgt in ieder geval niet uit de door India aangehaalde arbitrale rechtspraak. [52] In die rechtspraak is juist aan de hand van het toepasselijke investeringsverdrag bepaald of sprake is van een beschermde investering, zonder verwijzing naar de
Salini-criteria. [53] Bovendien lagen de feiten in die rechtspraak beduidend anders dan in de zaak die thans in cassatie aan de orde is. [54]
eerste klacht(onder 3.1 onder a) heeft betrekking op rov. 5.24, waarin het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht op grond van het dossier de conclusie heeft kunnen trekken dat de inzet van een deel van het S-bandspectrum voor de bescherming van ‘essential security interests’ niet uitsluit dat een ander deel van het S-bandspectrum voor andere doeleinden wordt ingezet. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte art. 11 lid 3 Verdrag Pro heeft toegepast op het S-bandspectrum in plaats van op het CCS-besluit, na eerder – in rov. 5.23 – te hebben geoordeeld dat het scheidsgerecht wel degelijk het CCS-besluit tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof heeft ook onvoldoende begrijpelijk gereageerd op het standpunt van India dat het CCS-besluit óf wel, óf niet wordt gerechtvaardigd door ‘essential security interests’, door zijn oordeel slechts te baseren op de technische mogelijkheid om het S-bandspectrum gedeeltelijk voor ‘essential security interests’ te gebruiken, aldus het onderdeel.
tweede klacht(onder 3.1 onder b) betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.24 rechtens onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft de uitlegmaatstaf van art. 31 lid 1 en Pro 3, onder c, en art. 32 WVV Pro miskend door het betoog van India dat art. 11 lid 3 Verdrag Pro een dichotoom karakter heeft en de rechtsbronnen die dit betoog ondersteunen, onbesproken te laten. Volgens de klacht kan een uitleg van art. 11 lid 3 Verdrag Pro, die geen precedenten kent in arbitrale vonnissen of literatuur, niet als een uitleg te goeder trouw worden beschouwd.
derde klacht(onder 3.1 onder c) ziet op rov. 5.25-5.27, waarin het hof het bezwaar van India heeft verworpen dat het scheidsgerecht het beroep van India op art. 11 lid 3 Verdrag Pro niet terughoudend heeft getoetst. De klacht betoogt dat India aan dit bezwaar (mede) ten grondslag heeft gelegd dat het scheidsgerecht het S-bandspectrum naar redelijkheid heeft gealloceerd en tot het oordeel is gekomen dat niet meer dan 60% van het S-bandspectrum nodig zou zijn voor ‘essential security interests’, hetgeen duidt op een volle, in plaats van een terughoudende, toetsing door het scheidsgerecht. Door in rov. 5.26 te overwegen dat India heeft gesteld dat het scheidsgerecht niet een terughoudende toetsingsmaatstaf heeft aangelegd doordat het uiteindelijk zelf heeft beslist dat voor de bescherming van ‘essential security interests’ niet het volledige S-bandspectrum nodig was, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van India, aldus de klacht.
ex aequo et bono(rov. 5.29). De klacht faalt dus.
eerste klacht(onder 3.2 onder a) betoogt dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een verrassingsbeslissing, onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Geklaagd wordt dat het hof niet, althans onvoldoende kenbaar, in zijn oordeel heeft betrokken de stellingen van India dat geen van beide partijen zich over een proportionele toepassing van art. 11 lid 3 Verdrag Pro heeft uitgelaten en dat een internationaal arbitraal college nooit eerder tot een proportionele toepassing van een ‘essential security interests’-bepaling heeft beslist. Voor zover het hof deze stellingen niet relevant heeft geacht voor de vraag of sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting, omdat beslissend is of partijen rekening konden houden met het desbetreffende oordeel, mede tegen de achtergrond van het kenbare toepasselijke objectieve recht. Volgens het onderdeel is het in ieder geval zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk waarom India toch rekening kon en moest houden met het oordeel van het hof. Verder heeft het hof miskend dat de gelegenheid die India heeft gekregen om haar standpunt te onderbouwen dat het S-bandspectrum voor 100% nodig was voor de bescherming van ‘essential security interests’, niet maakt dat partijen rekening konden houden met het desbetreffende oordeel en daarop daadwerkelijk invloed konden uitoefenen. Hetzelfde bezwaar werpt het onderdeel op ten aanzien van de overweging van het hof dat niet valt in te zien waarom het scheidsgerecht India had moeten horen over zijn voornemen om het beroep van India op art. 11 lid 3 Verdrag Pro voor minder dan 100% van het S-bandspectrum te honoreren. Ook klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat de vraag in hoeverre het S-bandspectrum voor ‘essential security interests’ werd ingezet, relevant is voor de beoordeling van het beroep van India op art. 11 lid 3 Verdrag Pro als zodanig. Dit maakt nog niet dat India rekening kon of moest houden met een proportionele toepassing van die bepaling, nu iets dergelijks zich nog nooit had voorgedaan, het scheidsgerecht partijen niet op de hoogte had gebracht van die mogelijkheid, en beide partijen ervan uitgingen dat het beroep op art. 11 lid 3 Verdrag Pro geheel of geheel niet zou slagen, aldus de klacht.
stare decisisniet in arbitrage [86] , hetgeen overigens onverlet laat dat scheidsgerechten precedentwerking toekennen aan relevante arbitrale rechtspraak. [87] Dit maakt dat partijen hun verwachtingen in arbitrage slechts in beperkte mate kunnen (en mogen) baseren op (een gebrek aan) precedenten.
tweede klacht(onder 3.2 onder b) klaagt dat het hof geen (voldoende begrijpelijke) reactie heeft gegeven op de stelling van India dat het scheidsgerecht partijen heeft verrast door art. 11 lid 3 Verdrag Pro toe te passen op het S-bandspectrum in plaats van op het CCS-besluit.
derde klacht(onder 3.2 onder c) betoogt dat rov. 5.32 geen (voldoende begrijpelijke) reactie vormt op de stelling van India dat geen van beide partijen zich heeft uitgelaten over een proportionele verdeling van het S-bandspectrum en de door het scheidsgerecht gekozen verdeling van 60-40% in het bijzonder. Het scheidsgerecht had partijen ten minste in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten, nadat het had beslist tot proportionele toepassing over te gaan, aldus de klacht.
vierde klacht(onder 3.2 onder d) is gericht tegen de overweging van het hof dat India niet heeft aangegeven welke argumenten zij tegen het voornemen van het scheidsgerecht om het beroep van India op art. 11 lid 3 Verdrag Pro voor minder dan 100% van het S-bandspectrum te honoreren, had kunnen aanvoeren, die zij niet heeft kunnen aanvoeren om het gebruik van het S-bandspectrum voor de bescherming van ‘essential security interests’ voor 100% te rechtvaardigen. Geklaagd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat India in dat geval had aangevoerd dat (i) een proportionele toepassing niet mogelijk is, gelet op het dichotome karakter van art. 11 lid 3 Verdrag Pro, en (ii) het S-bandspectrum voor 100% voor (para)militaire doeleinden zou worden gebruikt, zoals ook daadwerkelijk het geval is.