ECLI:NL:PHR:2018:708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dwangsomveroordeling na betaling achterstallige hypotheekrente en premies
Deze zaak betreft een executiegeschil over een dwangsomveroordeling in het kader van een echtscheidingsprocedure. De man was door een kort geding veroordeeld tot betaling van achterstallige hypotheekrente en premies levensverzekering aan de hypotheekhouder, onder verbeurte van een dwangsom. De vrouw betaalde vervolgens zelf de achterstallige bedragen en legde executoriaal loonbeslag bij de man.
Het hof oordeelde dat de man vanaf de datum van betaling door de vrouw aan de hypotheekverstrekker geen dwangsommen meer verbeurt. De vrouw stelde in cassatie dat het hof dit oordeel te beperkt had opgevat en buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de dwangsomveroordeling niet verder strekt dan het doel ervan, namelijk het inlopen van de achterstand bij de hypotheekverstrekker.
De vrouw heeft regresrecht op de man voor het bedrag dat hij vanaf juni 2015 tot 23 november 2015 had moeten betalen, maar dit is geen dwangsomveroordeling. De Hoge Raad verwierp de klachten van de vrouw, bevestigde dat de dwangsommen vanaf de betaling door de vrouw niet meer verschuldigd zijn en dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden. De man is vanaf de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen tot 23 november 2015 kinderalimentatie en partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van dwangsomveroordelingen bij betaling door een derde en bevestigt dat een dwangsom niet kan worden verbeurd over een periode na betaling van de achterstallige bedragen door een ander dan de veroordeelde.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrouw geen dwangsommen meer kan incasseren vanaf het moment dat zij de achterstallige hypotheekrente en premies levensverzekering zelf heeft voldaan.