ECLI:NL:PHR:2005:AT7294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vereenzelviging en toerekening wederrechtelijk verkregen voordeel aan natuurlijke persoon
In deze ontnemingszaak stond centraal of het hof ten onrechte rechtspersonen heeft vereenzelvigd met de natuurlijke persoon om het wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen. De verdachte was eigenaar en grootaandeelhouder van meerdere rechtspersonen die betrokken waren bij strafbare feiten binnen een criminele organisatie. Het hof had vastgesteld dat het voordeel dat via deze rechtspersonen was verkregen, feitelijk ten goede kwam aan de verdachte zelf.
De verdediging voerde aan dat het enkel aandeelhouder zijn onvoldoende grondslag biedt voor vereenzelviging en dat de rechtspersonen als zelfstandige entiteiten moeten worden beschouwd. De Hoge Raad benadrukte dat vereenzelviging slechts aan de orde is indien misbruik van rechtspersonenrecht of andere omstandigheden het voordeel van de rechtspersoon volledig aan de natuurlijke persoon kunnen worden toegerekend. In dit geval was het oordeel van het hof dat de verdachte daadwerkelijk voordeel had genoten niet onbegrijpelijk.
Het hof had daarbij onder meer de verklaring van de verdachte zelf betrokken, waarin hij toegaf te allen tijde over het gehele vermogen van zijn bedrijven te kunnen beschikken. Dit, gecombineerd met de feitelijke zeggenschap binnen de rechtspersonen, maakte aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel indirect aan de verdachte toekwam. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het oordeel van het hof, waarbij werd benadrukt dat het hier niet ging om een juridische doorbraak van aansprakelijkheid maar om de feitelijke toerekening van voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit de strafbare feiten gepleegd door de rechtspersonen waarvan hij bestuurder en grootaandeelhouder was.