ECLI:NL:PHR:2009:BJ8840
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke kwalificatie van overeenkomst tussen werknemer en onderneming
In deze zaak staat centraal of de in december 2001 gesloten overeenkomst tussen eiser en verweerder 3 moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht.
Eiser was sinds 1986 in vaste dienst bij verweerder 1 en bekleedde diverse functies binnen de groep. In 2001 ontstond een conflict na het melden van onregelmatigheden binnen de onderneming, waarna de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden werd beëindigd en een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd werd gesloten met verweerder 3. Eiser stelde dat hij door zijn psychische toestand niet handelingsbekwaam was bij het sluiten van deze overeenkomst en dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, met alle daaraan verbonden rechten.
De rechtbank wees de vorderingen af, het hof bevestigde dit oordeel en de Hoge Raad toetste de kwalificatie van de overeenkomst. De Hoge Raad benadrukte dat voor de kwalificatie niet één kenmerk beslissend is, maar dat de partijbedoeling bij het sluiten van de overeenkomst en de feitelijke uitvoering centraal staan. Het hof had vastgesteld dat partijen een overeenkomst van opdracht voor ogen hadden, waarbij eiser opdrachten kon verwerven en uitvoeren, ook buiten de groep.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat de stellingen van eiser onvoldoende waren om het oordeel te weerleggen. De klachten van eiser over onjuiste feitelijke beoordeling en onvolledige motivering faalden. Daarmee blijft het oordeel staan dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is, maar een overeenkomst van opdracht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomst een overeenkomst van opdracht is en geen arbeidsovereenkomst.