ECLI:NL:PHR:2007:AY3626
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt dat vergoeding uit persoonsgebonden budget voor zorg aan verstandelijk gehandicapte zoon inkomen uit arbeid vormt
De zaak betreft de vraag of de vergoeding die belanghebbende ontvangt uit een persoonsgebonden budget (PGB) voor de verzorging van haar verstandelijk gehandicapte zoon als inkomen uit arbeid moet worden aangemerkt. Het zorgkantoor kende het PGB toe aan de wettelijk vertegenwoordiger van de zoon, de echtgenoot van belanghebbende, die het budget via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert en uitbetaalt.
De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op aan belanghebbende over het bedrag dat zij ontving voor de zorgverlening, met een boete wegens het niet tijdig doen van aangifte. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de werkzaamheden van belanghebbende een bron van inkomen vormen omdat zij buiten de gebruikelijke hulp en bijstand binnen de familie vallen, mede doordat de vergoeding uit een externe bron (het zorgkantoor via de SVB) komt.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de vergoeding niet als inkomen uit arbeid moet worden gezien omdat het gaat om gebruikelijke hulp binnen het gezin. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de vergoeding uit het PGB, verstrekt door derden buiten de familiesfeer, deelname aan het economische verkeer inhoudt. De boete wegens niet tijdige aangifte werd eveneens als passend beoordeeld.
De uitspraak benadrukt dat het feit dat de vergoeding uit een persoonsgebonden budget komt, verstrekt door een zorgkantoor via de SVB, ertoe leidt dat de werkzaamheden als economische activiteit worden beschouwd en dus belastbaar zijn. Dit betekent dat zorgverleners binnen het gezin die betaald worden uit een PGB belastingplichtig zijn over die vergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vergoeding uit het persoonsgebonden budget voor zorg aan de verstandelijk gehandicapte zoon belastbaar is als inkomen uit arbeid en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.