Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Principale beroep (belanghebbende)
BNB1994/178 zijn belang heeft verloren voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst belanghebbende onder meer op aantekening 3.1.10 van
de Fiscale Encyclopedie de Vakstudieop artikel 3.8 van de Wet IB 2001 (zie onderdeel 4.40 van deze conclusie voor deze aantekening).
BNB1994/178 te ruim heeft uitgelegd. Dit omdat in dat arrest uitdrukkelijk is gesteld dat de waardestijging van een goed niet onbelast mag blijven indien en voor zover deze is aan te merken als nog niet gerealiseerde opbrengst in de zin van artikel 22, lid 1, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Met andere woorden, de arbeid moet in de belaste sfeer hebben plaatsgevonden. Het Hof houdt volgens belanghebbende geen rekening met deze beperking. Daarmee schaft het Hof naar zijn mening min of meer de zogenoemde broncriteria af.
BNB1994/178. Belanghebbende heeft nimmer arbeid in de zin van artikel 22, lid 1, onderdeel b, van de Wet IB 1964 verricht. Belanghebbende heeft de ‘tool’ vanuit privé (box 3) in het ondernemingsvermogen ingebracht.
Waarde van de ‘tool’ bij inbreng: historische kostprijs of waarde economisch verkeer?
onderneming.
ondernemergeniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4).
ondernemergeniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4) en de MKB-winstvrijstelling (paragraaf 3.2.5).
In afwijking van het eerste lid vindt de daar bedoelde teboekstelling plaats voor de aanschaffings- of voortbrengingskostenverminderd met het gedeelte daarvan dat onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als kosten, daaronder begrepen lasten en afschrijvingen, in aanmerking is genomen, met betrekking tot goodwill, rechten van intellectuele eigendom, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard
alsmede vermogensbestanddelen waarvan de opbrengst bij vervreemding onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zou zijn belast als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22 van Pro de laatstgenoemde wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000.
geruisloze overgang:
ondernemerwinst geniet, wordt voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat, de werkzaamheid geacht niet te zijn gestaakt. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.
BNB1982/155 [15] . In dat arrest had een belastingplichtige alleen maar tijdens een zakenlunch een relatie erop geattendeerd dat een derde mogelijk interesse had om zijn bedrijf over te nemen. Nadat daaruit een succesvolle transactie was voortgevloeid, werd de tipgever met ƒ 34.215 beloond.
BNB(opmaak origineel):
BNB1978/132 [19] inzake ‘eigenbouw van een woning’ en
B. 5414 [20] ter zake van niet-kostendekkende kamerverhuur aan een vriendin.
BNB1978/132:
eerstemiddel:
nietwerd beoogd, hier niet is een bron van inkomen als bedoeld in art. 7 I. B.;
onmogelijkzoude zijn, doch ten onrechte;
tweedemiddel:
BNB2001/34 [22] over een belanghebbende die tegen betaling schoonmaakwerkzaamheden voor zijn ouders verrichtte en HR
BNB2007/246 [23] over een moeder die ter zake van het verzorgen van haar verstandelijk gehandicapte zoon vergoedingen uit hoofde van de regeling voor persoonsgebonden budgetten verkreeg. Ik citeer uit deze arresten (opmaak origineel):
BNB2001/34:
BNB2007/246:
medische proeven-arrest. Naar het oordeel van de Hoge Raad nam de proefpersoon in kwestie deel aan het economische verkeer: [24]
BNB2003/306 over een paard dat na vijf jaar training met winst werd verkocht: [27]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis geschreven over de waardering van zaken/rechten bij inbreng vanuit de sfeer andere opbrengst van arbeid respectievelijk resultaat uit een werkzaamheid: [36]
Hobbyactiviteiten
Belang van de bewijslastverdeling
90.Grensgevallen
Dijkstrabenadrukt dat niet altijd aan het geldelijk voordeel-criterium hoeft te worden getoetst (opmaak origineel): [40]
medische-proevenarrest] het criterium ‘voordeel beogen – voordeel verwachten’ bij in het economisch verkeer verrichte activiteiten geheel was losgelaten. Daarom zag de Hoge Raad zich genoodzaakt om in het
receptenarrest(ook wel ‘nasi- en bami-arrest’ genoemd) zijn leer te verduidelijken (HR 14 april 1993,
BNB1993/203). Hij gaf te kennen dat dat criterium allereerst van belang is om voorzienbaar verliesgevende activiteiten te verwijzen naar de sfeer van de inkomensbesteding (…); verder speelt het een rol ter onderscheiding van belastbare vermogenstransacties van speculatie (…); ten slotte noemde hij het relevant om bepaalde in de persoonlijke sfeer gelegen voordelen te ecarteren (maar wat de Hoge Raad daarmee in dit verband bedoelde, is voor zover ons bekend nog steeds niet duidelijk).
5.Beoordeling van de beroepen
Inleiding
BNB1994/178 heeft toegepast, en bovendien op een onjuiste wijze (zie onderdeel 3.2).
BNB1994/178, r.o. 3.4, formuleerde de Hoge Raad dienaangaande twee regels. De eerste houdt de hoofdregel in, te weten dat een goed dat vanuit het privévermogen van een belastingplichtige in diens onderneming wordt ingebracht, op de balans van die onderneming wordt opgenomen voor zijn waarde in het economisch verkeer. De tweede houdt in dat wanneer die waarde van dat goed is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van ‘andere arbeid’ in de zin van artikel 22 van Pro de Wet IB 1964, de activering wordt beperkt tot het bedrag van de ontwikkelingskosten voor zover nog niet op het fiscale inkomen in mindering gebracht.
BNB1994/178 vermelde regel worden toegepast die overeenkomt met de regels van het totaalwinstbeginsel (artikel 3.8 van de Wet IB 2001), inhoudende inbreng tegen de waarde in het economisch verkeer.