ECLI:NL:PHR:2007:AZ0213
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip 'kennelijk bestemd' in strafbare voorbereiding volgens artikel 46 Sr
In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'kennelijk bestemd' in artikel 46 lid 1 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht, dat strafbare voorbereiding regelt. Verdachte werd vrijgesproken door het hof omdat de aangetroffen voorwerpen en stoffen volgens het hof objectief niet geschikt waren voor het voorbereiden van een aanslag, ondanks zijn terroristische intenties.
De advocaat-generaal stelde cassatie in tegen deze vrijspraak en betoogde dat het hof ten onrechte een te objectieve maatstaf hanteerde en onvoldoende rekening hield met de subjectieve intentie van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dat de strafbare voorbereiding mede moet worden beoordeeld aan de hand van de bedoeling van de verdachte met de voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, en dat het hof een onjuiste uitleg gaf door alleen te kijken naar de objectieve geschiktheid.
De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de wetsgeschiedenis van artikel 46 Sr Pro, de verhouding tussen subjectieve en objectieve elementen in strafbare voorbereiding, en de betekenis van het begrip 'kennelijk bestemd'. Tevens wordt ingegaan op de verhouding tot het leerstuk van de strafbare poging en de ondeugdelijkheid daarvan.
De Hoge Raad benadrukt dat strafbare voorbereiding een onvolkomen delictsvorm is waarbij de subjectieve intentie van de dader een cruciale rol speelt, en dat het bewijs van die intentie uit alle mogelijke bewijsmiddelen kan volgen. De objectieve geschiktheid van de middelen moet wel aanwezig zijn, maar kan worden gecompenseerd door een sterke criminele intentie. De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 46 Sr Pro en benadrukt dat een te objectieve toetsing kan leiden tot onjuiste vrijspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens een onjuiste uitleg van artikel 46 Sr omtrent het begrip 'kennelijk bestemd'.