Conclusie
eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop bezien, behelst de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu ten gevolge van een wijziging van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr daaruit niet kan volgen dat de criminele intentie van verzoeker zodanig was dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen “kennelijk bestemd” respectievelijk “bestemd” waren tot het begaan van de betrokken misdrijven en/of doordien het Hof verzuimd heeft nader dan wel toereikend te motiveren waarom die voorwerpen vanaf 1 februari 2007 tot en met 12 mei 2007 bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven.
- een hoeveelheid zoutzuur en
“Verdere beoordeling tenlastelegging
Opmerking bewezenverklaring feit 1
tot 1 februari 2007kennelijkbestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven en dat zij
vanaf 1 februari 2007bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven. Dit gezien de wijziging van het bepaalde in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht met ingang van die datum.”
kennelijkbestemd waren tot het begaan van het bedoelde misdrijf, met dien verstande, zo blijkt uit de voormelde opmerking van het Hof bij feit 1, dat de genoemde voorwerpen vanaf 1 februari 2007 bestemd waren voor het plegen van de genoemde misdrijven.
kennelijkbestemd moesten zijn tot het begaan van dat misdrijf. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de voormelde Wet heeft geleid, houdt omtrent het doen vervallen van het woord
kennelijkhet volgende in: [4]
“ARTIKEL II
kennelijk– een wijziging van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr oplevert. Aangevoerd wordt dat deze subjectivering de strafrechtelijke aansprakelijkheid enigszins beperkt “en wel in die zin dat daarmee gerichter en concreter tot uitdrukking wordt gebracht wie de normadressant van art. 46 Sr Pro is: degene die werkelijk van plan is onheil aan te richten”. Om die reden is, aldus de steller van het middel, de nieuwe wetgeving gunstiger voor verzoeker, zodat ook ten aanzien van de feiten gepleegd vóór 1 februari 2007 heeft te gelden dat de voorwaarde van de “subjectieve bestemming” oftewel de criminele intentie toepasselijk moet worden geacht. De bewijsvoering van het Hof schiet volgens de steller van het middel op dat onderdeel echter tekort, mede gelet op de bewezenverklaarde periode van bijna vijf jaren en in aanmerking genomen dat naarmate de periode van het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen langer is, het minder aannemelijk is dat sprake is van een subjectieve bestemming c.q. criminele intentie.
kennelijkis gegeven, niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte en/of de strafwaardigheid van voorbereidingshandelingen. Uit de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting, waarin wordt verwezen naar verschillende opvattingen in de literatuur en HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, blijkt veeleer van een voorstel om het toen bestaande criterium te
verduidelijken, te verhelderen. [5] “Het is niet mijn bedoeling de reikwijdte van het bestaande artikel 46 Sr Pro wezenlijk bij te stellen. De aanpassing vindt zijn grond in de wens van verduidelijking”, aldus nog eens toenmalig Minister Donner van Justitie in zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 17 maart 2005. [6] Daarbij komt dat uit het hierboven weergegeven arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de “subjectieve bestemming” oftewel de criminele intentie van de verdachte ook reeds onder de vigeur van art. 46, eerste lid, (oud) Sr een belangrijke beoordelingsfactor was.
tweede middel, dat dicht tegen het eerste middel aanligt en daarmee misschien wel enigszins verknoopt is, klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed, nu het Hof heeft miskend dat de voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr Pro op de levensberoving ziet en niet op het gebezigde middel c.q. de gebezigde middelen waarop het Hof zijn oordeel heeft doen steunen en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip voorbedachte raad.
voltooidedelict van moord zien.
In dat afgewerkte kadergaat het erom of ook naar objectieve criteria materieel vastgesteld kan worden dat de verdachte daadwerkelijk voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om een ander van het leven te beroven en dat er zich geen relevante contra-indicaties hebben voorgedaan. Daarbij komt dat de aangescherpte motiveringseis is ingegeven vanuit het sterk strafverzwarende gevolg van voorbedachte raad in de zin van art. 289 Sr Pro ten opzichte van doodslag (art. 287 Sr Pro). Nu kan ingevolge het derde lid van art. 46 Sr Pro een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren worden opgelegd ingeval van een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld en zou kunnen worden betoogd dat er in zoverre sprake is van een strafverzwarend gevolg ten opzichte van het tweede lid waarin is bepaald dat het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, bij voorbereiding met de helft wordt verminderd, en dat dus in het bijzonder indien de voorbereiding van voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, de rechter daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht dient te geven.
die bestemminghet opzet hebben gehad. [20] Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat het Hof dát (gewone) opzet bewezen acht, zij het hier, maar dat is nu eenmaal inherent aan de strafbare voorbereiding, in de betekenis van een toekomstgericht plan of voornemen. Van de eerste voorbereidende stappen naar de voltooiing van voorgenomen misdrijven als die waarvan in het onderhavige geval sprake is, is niet zelden een lange weg gelegen. Of het plan of voornemen daadwerkelijk zal leiden tot de beoogde gevolgen en/of tot – nu komt de figuur van het voorwaardelijk opzet wel om de hoek kijken – de gevolgen die de verdachte op de koop toe zal nemen, is een andere kwestie. Mijns inziens heeft het Hof op die (mogelijke) gevolgen het oog in zijn overweging betreffende de kennelijke voorbereiding van een mogelijk vuurgevecht waarbij doden kunnen vallen, waarbij ik “vuurgevecht” niet al te letterlijk neem en (evenals kennelijk de steller van het middel) de overweging van het Hof aldus begrijp dat daarmee ook wordt gedoeld op de voorbereiding van een gewapende overval waarbij verzoeker rekening hield met de mogelijkheid dat hij een vuurwapen zou moeten gebruiken (waarom neemt hij ze anders mee?) met eventueel dodelijke slachtoffers tot gevolg. Daarin ligt naar mijn mening geen onbegrijpelijkheid besloten, mede in aanmerking genomen dat in het vergezicht van de strafbare voorbereiding voorwaardelijk opzet en voorbedachte raad kunnen samengaan. [21] Binnen dat perspectief heeft verzoeker zich denk ik tevens voorbereid op de serieuze mogelijkheid van levensberoving, en wel met voorbedachte raad.
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte voor het bewijs van alle feiten gebruik heeft gemaakt van de in hoger beroep afgelegde verklaring van verzoeker, inhoudende “Ik ben in mijn jeugd een opleiding aan de hogere laboratoriumschool begonnen” (bewijsmiddel 61), aangezien deze verklaring bezwaarlijk redengevend kan worden geacht voor alle bewezenverklaarde feiten.
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring onder feit 5 wat betreft de bedreiging van [betrokkene 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
vijfde middelklaagt dat het Hof het bewijs van feit 7 heeft doen steunen op twee processen-verbaal inhoudende een verklaring van een anonieme aangever, terwijl het Hof heeft verzuimd te voldoen aan de motiveringseis van art. 360, eerste lid, Sv en een uitdrukkelijk oordeel te geven over de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring.
zesde middelklaagt dat ’s Hofs overwegingen over de onder 1 bewezenverklaarde periode onbegrijpelijk zijn en dat bijgevolg het verweer inhoudende dat in casu art. 63 Sr Pro van toepassing is door het Hof is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
zevende middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.