ECLI:NL:PHR:2007:BA9616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over termijn voor aanvullend beroepschrift bij tussentijdse beëindiging schuldsanering
De zaak betreft een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van verzoekster, waarbij de rechtbank de regeling beëindigde en de bewindvoerder tot curator in faillissement benoemde.
Verzoekster kwam hiertegen in hoger beroep, maar werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat het aanvullende beroepschrift te laat was ingediend. Verzoekster had op grond van een mededeling van de griffier namens het hof vertrouwd op een termijn tot 4 juli 2006 voor het aanvullen van haar beroepsgronden, terwijl de wettelijke termijn korter was.
De Hoge Raad bespreekt de strikte termijnen voor het instellen van beroep en het aanvullen van beroepsgronden, maar erkent dat de rechter discretionaire bevoegdheid heeft om een afwijkende termijn toe te staan. De mededeling van de griffier wordt in dit geval aangemerkt als een beslissing van het hof, waardoor verzoekster erop mocht vertrouwen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat in bijzondere omstandigheden een langere termijn voor aanvulling van het beroepschrift kan worden toegestaan, ter bescherming van de rechtszekerheid en het vertrouwen van partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat verzoekster tijdig haar aanvullend beroepschrift heeft ingediend.