ECLI:NL:PHR:2007:BB7929
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing fraus legis bij renteaftrek intraconcernleningen met zetelverplaatsing naar Nederlandse Antillen
Deze zaak betreft zes procedures over de toepassing van het fraus legis-beginsel op intraconcernleningen tussen Nederlandse vennootschappen en hun moedervennootschap die haar werkelijke leiding naar de Nederlandse Antillen heeft verplaatst. Centraal staat de vraag of renteaftrek op een door X2 B.V. aan X1 B.V. verschuldigde dividendschuld, omgezet in een lening, terecht is geweigerd omdat de transacties primair gericht waren op belastingontwijking.
De feiten betreffen een complex concern met autodealerships en leasingactiviteiten. In 1992 werd een dividend uitgekeerd door X2 B.V. aan X1 B.V., dat tegelijkertijd werd teruggeleend via een rentedragende lening. Vervolgens verplaatste X1 B.V. haar werkelijke leiding naar de Nederlandse Antillen, waar zij een financieringsmaatschappij oprichtte (E N.V.) waarin de vordering op X2 B.V. werd ingebracht. De Inspecteur weigerde de renteaftrek over de jaren 1992 tot en met 1997 wegens fraus legis, hetgeen door het Hof grotendeels werd bevestigd.
De Hoge Raad bevestigt dat de omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen vermoed wordt niet zakelijk te zijn indien de lening geen financieringsfunctie heeft en de rente niet onderworpen is aan een redelijke belastingheffing. De toepassing van artikel 25 BRK Pro en artikel 28b Wet Vpb. als compenserende heffing wordt verworpen, omdat X1 B.V. niet als houdstervennootschap kan worden aangemerkt en de belastingheffing op Aruba niet als redelijk wordt beschouwd. De Hoge Raad oordeelt dat de belanghebbenden niet zijn geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden van belastingontwijking. Daarnaast wordt bevestigd dat de weigering van renteaftrek geen verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt, omdat zij uitsluitend gericht is op het bestrijden van misbruik.
Verder behandelt de Hoge Raad de onzakelijkheid van het rentepercentage op overige rekening-courantschulden en de correctie van de assurantiereserve. De Hoge Raad oordeelt dat de belanghebbenden onvoldoende bewijs hebben geleverd voor de zakelijkheid van het rentepercentage en bevestigt de correcties op de dotaties aan de assurantiereserve, met uitzondering van de vrijval in 1996 die onterecht is belast. Tot slot beveelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de reikwijdte van het vrije kapitaalverkeer en de proportionaliteit van antimisbruikmaatregelen in derdelandensituaties.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen voor 1992-1995 en 1997 ongegrond, het beroep voor 1996 gegrond, en beveelt prejudiciële vragen aan het HvJ EG.