ECLI:NL:PHR:2008:BF0759
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen ouder en kinderen bij gezamenlijk gezag
Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen ouders over de vaststelling van een omgangsregeling voor hun minderjarige kinderen na ontbinding van het huwelijk en beëindiging van de samenwoning. De vader verzocht om een omgangsregeling, die door de rechtbank en het hof werd vastgesteld, waarbij onder meer begeleide omgangscontacten en proefcontacten onder toezicht van een psycholoog werden voorgeschreven. De moeder verzette zich tegen deze regelingen en stelde onder meer dat het belang van de kinderen zich tegen omgang verzet.
Het hof oordeelde dat het recht op omgang een fundamenteel onderdeel is van het ouderlijk gezag bij gezamenlijk gezag en dat dit recht slechts tijdelijk kan worden geschorst indien het belang van het kind dit vereist. Het hof stelde een gefaseerde omgangsregeling vast, waarbij de omgang onder begeleiding van een onafhankelijke derde plaatsvindt, en wees het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor behandeling van de kinderen af wegens onvoldoende onderbouwing.
In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte art. 1:253a BW toepaste in plaats van art. 1:377h BW en dat het hof onvoldoende rekening hield met het belang van de kinderen en de noodzaak van een zorgvuldige motivering. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat bij gezamenlijk gezag het recht op omgang niet definitief kan worden ontzegd en dat tijdelijke schorsing slechts mogelijk is onder strikte voorwaarden. De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn beslissing voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de omgangsregeling zoals vastgesteld door het hof blijft van kracht.