ECLI:NL:HR:2007:BA3139
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak mensenhandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, wat rechtvaardigt dat het opgelegde bedrag wordt verminderd.
Het hof had het voordeel geschat op basis van verklaringen van betrokkenen en tapgesprekken, waarbij onder meer werd vastgesteld dat een prostituee gedurende zes weken gemiddeld vijf dagen per week werkte met een dagopbrengst van ƒ700,-. De verdediging voerde aan dat de betrokkene minder dagen had gewerkt, maar het hof achtte dit onvoldoende onderbouwd.
De Hoge Raad constateert dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de overschrijding van de redelijke termijn geen gevolgen zou hebben, met name omdat het oordeel dat de betrokkene voordeel had van de lange duur niet op feitelijke vaststellingen was gebaseerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het het bedrag betreft en vermindert het te betalen bedrag tot €44.000,-. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het te betalen bedrag aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €44.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.