ECLI:NL:HR:2008:BC2319
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem waarbij betrokkene werd verplicht tot betaling van €56.120,- als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had dit bedrag opgelegd op grond van strafbare feiten die soortgelijk werden geacht aan bewezen verklaarde feiten.
Betrokkene voerde aan dat deze ontneming in strijd was met art. 6 EVRM Pro, verwijzend naar het arrest Geerings tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad oordeelde dat de procedure zoals geregeld in art. 511b Sv voldoende waarborgen biedt voor hoor en wederhoor, waaronder de mogelijkheid om aan te voeren dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de soortgelijke feiten.
Omdat betrokkene niet was vrijgesproken van soortgelijke feiten waarvoor het voordeel werd ontnomen, kon het beroep niet slagen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de betalingsverplichting tot ontneming van het voordeel.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 19 februari 2008, waarbij tevens werd vastgesteld dat er geen reden was om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betalingsverplichting tot ontneming van €56.120,- wordt bevestigd.