ECLI:NL:PHR:2010:BI9751
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid aanloopverlies bij terbeschikkingstelling van een pand aan eigen bv
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting over 2001 en 2002, waarin zij een aftrekbaar aanloopverlies wilde meenemen op grond van art. 3.10 Wet IB 2001. Het geschil betrof de vraag of kosten gemaakt vóór de terbeschikkingstelling van een pand aan haar eigen bv aftrekbaar zijn als aanloopverlies.
De Rechtbank en het Hof verwierpen de aftrek omdat het pand vanaf de aankoop een bron van inkomen vormde in box 3 en de terbeschikkingstelling pas vanaf 8 december 2001 als werkzaamheid gold. Het Hof stelde dat art. 3.10 Wet IB 2001 alleen ziet op kosten die gemaakt zijn in onduidelijkheid over het bestaan van een bron van inkomen.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 3.10 Wet IB 2001 bedoeld is voor ondernemers die in een groeiproces van een bron verkeren, waarbij de bron in statu nascendi aanwezig is. De regeling is niet bedoeld voor situaties waarin een vermogensbestanddeel vanaf het begin een bron vormt in box 3. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en verwijst de zaak naar het Hof om de omvang van het aanloopverlies in het eerste ondernemingsjaar vast te stellen.
De conclusie benadrukt dat de terbeschikkingstellingsregeling een andere aard heeft dan ondernemerschap, met minder arbeid en meer kapitaal, en dat art. 3.10 niet algemeen geldt voor aanloopkosten van alle bronnen. De Hoge Raad volgt daarmee een genuanceerde uitleg van de wet en de parlementaire geschiedenis.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere vaststelling van het aanloopverlies in het eerste ondernemingsjaar.