ECLI:NL:PHR:2010:BM3638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn en rechtsgeldige betekening verstekmededeling
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld voor belastinggerelateerde strafbare feiten. De verdachte was sinds december 2002 niet meer ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en had geen bekend verblijfadres in Nederland.
De kern van het geschil betreft de vraag of het openbaar ministerie de verstekmededeling rechtsgeldig en binnen een redelijke termijn heeft betekend. De verdachte stelde dat de mededeling nooit rechtsgeldig was betekend en dat het OM onvoldoende inspanningen had verricht om hem te bereiken, wat zou leiden tot overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad overweegt dat het OM de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig aan de griffier heeft betekend, en dat het OM jaarlijks heeft geprobeerd te achterhalen of de verdachte weer in de GBA was ingeschreven. De verdachte heeft zich niet gehouden aan de verplichtingen om zijn verblijfplaats op te geven en heeft geen maatregelen getroffen om kennis te nemen van de stukken. Hierdoor kan hij zich niet beroepen op schending van de redelijke termijn.
Ook is geoordeeld dat het verzuim van de griffier om aan te kruisen naar welk adres de dagvaarding per gewone brief is verzonden, niet leidt tot nietigheid van de betekening. De middelen van cassatie zijn verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en oordeelt dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.