ECLI:NL:PHR:2010:BN6309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen recht op aftrek voorbelasting bij giraal overmaken geld naar landen buiten de EU
Belanghebbende exploiteert een geldtransactiekantoor en verricht financiële diensten door in Nederland ontvangen bedragen uit te laten keren aan personen buiten de Europese Gemeenschap. De kern van het geschil betrof het recht op aftrek van voorbelasting over deze diensten, waarbij de vraag was wie als afnemer van de dienst moet worden aangemerkt en of de prestaties betrekking hebben op goederen bestemd voor uitvoer.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de afnemer van de dienst degene is die in Nederland opdracht geeft tot uitbetaling en betaling verricht, en niet de buitenlandse begunstigde of het uitbetalende kantoor. Daarnaast werd geoordeeld dat giraal overmaken van geld geen uitvoer van goederen is, omdat er geen fysiek transport van geld plaatsvindt. Hierdoor is geen recht op aftrek van voorbelasting op grond van artikel 15, lid 2, van de Wet omzetbelasting 1968.
De Hoge Raad bevestigt deze interpretatie en wijst het cassatieberoep af. De Raad benadrukt dat de financiële diensten niet rechtstreeks betrekking hebben op goederen die worden uitgevoerd en dat de afnemer van de dienst degene is die de opdracht geeft en betaalt. Ook wordt onderstreept dat geld giraal overmaken als dienst moet worden aangemerkt en niet als levering van goederen. De conclusie is dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de aan de transacties toe te rekenen voorbelasting.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; belanghebbende heeft geen recht op aftrek van voorbelasting.