ECLI:NL:PHR:2010:BN8386

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02288
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvArt. 423 lid 3 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
13 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsmiddelen en motivering in zaak heling uit misdrijf

In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen geldbedrag voordeel trekken, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig was. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op een proces-verbaal en een verkort arrest van de medeverdachte.

Verdachte klaagde dat het bewijsmiddel dat het hof gebruikte niet de volledige inhoud bevatte van de aanvulling op het verkorte arrest van de medeverdachte. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bewijsmiddel kennelijk alleen redengevend heeft geacht voor zover de inhoud relevant was en dat het hof de bewijsvoering verbeterd heeft gelezen, waardoor de klacht feitelijk geen grondslag heeft.

Daarnaast werd geklaagd over gebreken in de motivering van de bewezenverklaring, met name over betalingen voor een reis die buiten de bewezenverklaarde periode vielen en over het bewijs dat diverse DVD's, kledingstukken en dagelijkse levensbehoeften uit misdrijf verkregen geld zouden zijn. De Hoge Raad stelde vast dat de betalingen voor de reis niet redengevend waren en dat de items niet als opbrengst van misdrijf kunnen worden aangemerkt, en verbeterde de bewezenverklaring dienovereenkomstig.

De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde de veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een taakstraf. Er werden geen gronden gevonden om de uitspraak ambtshalve te vernietigen.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte tot voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens heling.

Conclusie

Nr. 09/02288
Mr. Vellinga
Zitting: 21 september 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "uit de opbrengst van enig goed voordeel trekken, terwijl zij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
2. Het eerste middel klaagt dat de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet is opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest voor zover genoemd onder 1 en 2.
3. De aanvulling van het verkorte arrest houdt in:
"De bewijsmiddelen:
1. Het verkort arrest van de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam van 27 november 2008 waarbij de echtgenoot van de verdachte, [medeverdachte], is veroordeeld wegens verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft tot een bedrag van EUR 78.303,45, gepleegd op 16 december 2004 te Haarlem, alsmede de aanvulling op dat verkort arrest van heden.
2. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep onder de nummers:
2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9, met dien verstande dat in bewijsmiddel 8 in plaats van
- bestemming: Eurodisney, 23 mei 2005, vijf personen, reisduur: drie dagen; wijze van betalen: 1.419,48 (complete bedrag) contant op 11-7-2005,
wordt gelezen
- bestemming: Eurodisney, 31 juli 2005, vijf personen, reisduur: drie dagen; wijze van betalen: 1.419,48 (complete bedrag) contant op 11-7-2005.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2008.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb mijn echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte], nooit gevraagd hoe hij aan zijn extra geld kwam.
Het is juist dat ik bij de politie heb verklaard dat ik eigenlijk niet wilde weten hoe [medeverdachte] aan zijn extra geld kwam met betrekking tot het geld van [medeverdachte] en dat ik wist dat er iets was, maar dat ik het gewoon heb weggeschoven.
Ik vond het extra geld wel gemakkelijk en dacht alleen aan het uitgeven daarvan.
Ik heb er niet bij stilgestaan dat ik mij schuldig zou kunnen maken aan heling.
Nadere bewijsoverweging:
Het tot het bewijs gebezigde geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, wordt telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen."
4. Van het onder 1 genoemde als bewijsmiddel gebezigde arrest heeft het Hof de inhoud weergegeven voor zover het Hof die inhoud kennelijk redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof heeft verzuimd de relevant geachte inhoud voor de zaak van verdachte weer te geven mist het middel dus feitelijke grondslag.
5. Voor het overige miskent het middel dat art. 423 lid 3 Sv Pro bepaalt dat het Hof na vernietiging van het vonnis bevoegd is bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen. Dat heeft het Hof gedaan. Voor overnemen is niet vereist dat de overgenomen bewijsmiddelen ook inhoudelijk in (de aanvulling op) het arrest worden opgenomen.(1) Zou dat wel vereist zijn dan zou dit het bepaalde in art. 423 lid 3 Sv Pro zinloos maken. Bedacht dient te worden dat deze bepaling reeds voorkwam in het Wetboek van 1926, in een tijd dat kopieerapparatuur niet voorhanden was, en overnemen van bewijsmiddelen dus veel schrijf- of typewerk kon besparen. Daarin ligt de betekenis van deze bepaling.
6. Het middel faalt.
7. Het tweede middel klaagt over gebreken in de motivering van de bewezenverklaring.
8. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij:
"ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde:
in de periode van 16 december 2004 tot en met 11 januari 2006 in Nederland, uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen geldbedrag voordeel heeft getrokken, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen geldbedrag betrof immers heeft verdachte over (een deel van) dit geldbedrag beschikt en/of(een deel van) dit geldbedrag tezamen met [medeverdachte], uitgegeven, aan -onder meer-:
- één of meer auto's en
- een stacaravan en
- een (luxe) bruiloftsfeest en
- een bruidjurk met toebehoren en
- een kostuum en
- een (huwelijksreis naar Las Vegas en
- een tasje (merk Louis Vuitton) en
- een horloge en
- een reis naar Euro Disney en
- diverse DVD's en
- diverse kledingstukken en
- dagelijkse levensbehoeften."
9. Het Hof heeft daartoe onder meer het volgende, uit het vonnis waarvan beroep overgenomen, bewijsmiddel gebezigd, voor zover hier van belang:
"8. Proces-verbaal
Een in wettelijke vorm opgemaakt en op 13 maart 2006 gesloten proces-verbaal (dossierpagina 209) van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], werkzaam bij de politie Kennemerland, afdeling districtsrecherche, District Haarlem.
Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van de verbalisant voornoemd:
Op 24 februari 2006 omstreeks 09.45 uur heb ik, verbalisant, gesproken met [getuige ], assistent officemanager in het filiaal Globe Reisbureau Succes, gevestigd aan de Generaal Cronjestraat 24 te Haarlem. Uit hun geautomatiseerde systeem bleek dat [Verdachte] en [medeverdachte] tussen 1 januari 2000 en 1 januari 2006 een zestal reizen hebben geboekt bij voornoemd reisbureau. Het gaat onder meer om de volgende reizen:
- bestemming: Eurodisney, 19 april 2004, vier personen, reisduur: vijf dagen; wijze van betalen: 1200,- contante aanbetaling op 14-1-2004 en 1682,73 per bank / giro op 27-2-2004
[...]."
10. In de eerste plaats wordt geklaagd dat voor het bewezenverklaarde niet redengevend is dat de verdachte op 14 januari 2004 en 27 februari 2004 betalingen heeft gedaan voor een reis naar Eurodisney. Deze klacht wordt terecht voorgedragen. Bedoelde betalingen hebben immers plaatsgevonden vóór de bewezenverklaarde periode. Aan de redengevende kracht van de inhoud van de bewijsmiddelen voor het overige doet dit gebrek echter niet af zodat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. (2)
11. Ten tweede wordt terecht geklaagd dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat 'diverse DVD's, diverse kledingstukken en dagelijkse levensbehoeften' opbrengst vormen van een door misdrijf verkregen geldbedrag. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen in die zin dat wordt geschrapt 'diverse DVD's, diverse kledingstukken en dagelijkse levensbehoeften'.
12. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft het gesignaleerde gebrek evenmin tot cassatie te leiden.(3)
13. Het middel faalt.
14. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Blok en Besier, Het Nederlandsche strafproces, II, p. 379 lijken daar ook van uit te gaan.
2 Zie voor zaken waarin het door het Hof bezigen van een niet redengevend bewijsmiddel niet tot cassatie leidde HR 25 april 2006, LJN AV6192, HR 18 januari 2005, LJN AR2932, NJ 2006, 12 en HR 22 januari 2002, LJN AD6244.
3 Uit HR 18 maart 2003, LJN AF4269 (niet gepubliceerd), 02507/01, rov. 5.2. Zie voorts HR 17 oktober 2006, LJN AY7770, HR 20 juni 2006, LJN AW3584, NJ 2006, 380, HR 11 januari 2005, LJN AR5101, HR 7 oktober 2003, LJN AI1654, NS 2003, 413 en HR 15 april 2003, LJN AF5257, NJ 2003, 364, rov. 3.6 (geheel feit viel weg).