ECLI:NL:PHR:2011:BP2740
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling derdenwerking Salduz-normen en ondervragingsrecht in strafzaak moord
In deze zaak staat centraal de vraag of verklaringen van een medeverdachte zonder voorafgaande raadpleging van een advocaat voor het bewijs mogen worden gebruikt, mede in het licht van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verdediging voerde aan dat deze verklaringen uitgesloten moesten worden vanwege schending van artikel 6 EVRM Pro, met name het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht.
De Hoge Raad overweegt dat de Salduz-normen, gericht op de bescherming van het recht van de verdachte op rechtsbijstand, niet zonder meer derdenwerking hebben ten aanzien van medeverdachten. De ratio van de Schutznorm blijft van toepassing, waardoor schendingen jegens anderen dan de verdachte in principe niet leiden tot uitsluiting van bewijs in de strafzaak van de verdachte.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het ondervragingsrecht is gerespecteerd indien de getuige ter terechtzitting is verschenen en de verdediging vragen heeft kunnen stellen, ook al beantwoordt de getuige die niet altijd. In deze zaak was de medeverdachte als getuige gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte, waardoor het hof het bewijs mocht gebruiken.
Echter, de Hoge Raad vernietigt het arrest omdat de voorzitter van het hof zonder nadere motivering heeft belet dat een getuige een verzoek van de raadsman opvolgt om een litteken te tonen, wat een onbehoorlijke motivering inhoudt. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onbehoorlijke motivering bij het beletten van een vraag aan een getuige en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.