ECLI:NL:PHR:2011:BP5361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en hervorming van compensatie bij overschrijding redelijke termijn in strafzaken
In deze zaak behandelt de Hoge Raad de problematiek rond de overschrijding van de redelijke termijn in cassatieprocedures en de compensatie daarvoor. De verdachte was veroordeeld tot 11 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van doodslag. De cassatieprocedure kende een overschrijding van de inzendingstermijn en de redelijke termijn van afdoening, waardoor volgens de huidige jurisprudentie strafvermindering toegepast moest worden.
De conclusie bespreekt uitgebreid de vuistregels van de Hoge Raad omtrent de strafvermindering bij termijnoverschrijding, waarbij de strafvermindering niet meer mag bedragen dan de duur van de overschrijding en maximaal zes maanden. Er worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de redelijkheid van deze compensatie, met name de verhouding tussen immateriële schade door onzekerheid en de strafvermindering, en het feit dat slachtoffers geen compensatie ontvangen.
De conclusie pleit voor een nieuw, gematigder compensatieschema, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen overschrijding van de inzendingstermijn en de redelijke termijn van afdoening. Tevens wordt voorgesteld om compensatie bij voorkeur in geld toe te kennen, zodat ook slachtoffers kunnen worden gecompenseerd en de compensatie beter in verhouding staat tot het geleden leed.
Daarnaast wordt het oordeel van het hof over de strafoplegging bevestigd, waarbij rekening is gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid. De straf van 11 jaar gevangenisstraf wordt passend geacht na vermindering wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De straf wordt verminderd met maximaal zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, met een pleidooi voor geldelijke compensatie in plaats van strafvermindering.