ECLI:NL:PHR:2011:BP8929
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn oplegging aanslag en aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen
Belanghebbende, van Kaapverdische nationaliteit, werd voor het jaar 2005 aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige en kreeg een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag, onder meer over het niet tijdig opleggen van de aanslag en de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn vier kinderen. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof verklaarden het bezwaar ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dat de aanslag tijdig is opgelegd binnen de driejaarstermijn van artikel 11, lid 3, AWR, en dat de brief van belanghebbende niet als bezwaarschrift kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke en beleidsmatige kaders omtrent het tijdig opleggen van aanslagen, waarbij wordt benadrukt dat de inspecteur in beginsel binnen drie maanden na indiening van de aangifte een voorlopige of definitieve aanslag moet opleggen. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het beleid van de Belastingdienst vereisen dat de inspecteur niet onnodig vertraging mag veroorzaken. In dit geval is de aanslag echter binnen de wettelijke termijn opgelegd, zodat belanghebbende geen belang heeft bij zijn klachten over de termijn.
Ten aanzien van de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de opgevoerde bedragen uitsluitend voor twee van zijn vier kinderen heeft besteed. De bedragen zijn in redelijkheid bestemd voor alle kinderen en mogelijk ook voor zijn echtgenote. De wettelijke regeling stelt minimumbedragen per kind en sluit aan bij het gelijkheidsbeginsel binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. De klachten van belanghebbende worden daarom verworpen.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof en de Rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de aanslag tijdig is opgelegd en de aftrek voor levensonderhoud van kinderen niet toekomt.