ECLI:NL:PHR:2011:BT2099
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid inzet telefoontap bij uitgeven vals geld
In deze zaak stond de rechtmatigheid van het bevel tot het opnemen van telecommunicatie centraal, gegeven in het kader van de verdenking van het uitgeven van vals geld. De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van vals bankbiljetten en andere aanverwante feiten. De verdediging stelde dat het bevel tot telefoontap onrechtmatig was, omdat het feit slechts eenmalig was en het uitgeven van één vals biljet geen ernstige inbreuk op de rechtsorde zou vormen.
De Hoge Raad bevestigde dat het uitgeven van vals geld, strafbaar gesteld in artikel 213 Sr Pro, naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, omdat het betalingsverkeer wordt ontregeld, wat de betrouwbaarheid van het economische verkeer aantast. De Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de inzet van het dwangmiddel rechtmatig was, mede gelet op de eerdere contacten van de verdachte met politie en zijn onbekende verblijfplaats.
De Hoge Raad wees erop dat de memorie van toelichting op artikel 126m Sv niet vereist dat bij misdrijven die naar hun aard ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, ook de concrete feiten en omstandigheden meegewogen moeten worden om die ernst te bepalen. Het hof heeft derhalve geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door zich op de aard van het misdrijf te baseren. Het middel van cassatie werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het bevel tot telefoontap rechtmatig was en de veroordeling voor het uitgeven van vals geld blijft in stand.