ECLI:NL:PHR:2012:BV6685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing eenhoofdig gezag vader in belang kinderen
De zaak betreft een verzoek van de vader om het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te kennen. Na echtscheiding oefenden beide ouders gezamenlijk gezag uit, waarbij de kinderen bij de vader verbleven en onder toezicht stonden van Bureau Jeugdzorg. De rechtbank had het verzoek van de vader toegewezen vanwege een ernstig verstoorde relatie en communicatieproblemen, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek af.
Het hof oordeelde dat onvoldoende is gebleken van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en dat het in het belang van de kinderen is dat de moeder betrokken blijft. De vader had ingestemd met vrijwillige hulpverlening om communicatie te verbeteren. Het hof vond dat omstandigheden zoals het tijdelijk verbreken van contact door de moeder en de wens van een kind geen contact te willen onvoldoende waren om het gezag aan de vader alleen toe te kennen.
De vader stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de verplichting tot gezamenlijke gezagsuitoefening aan hem oplegde en dat art. 8 EVRM Pro hem en de kinderen beschermt tegen de moeder. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de juiste maatstaf van het hof en benadrukte dat het gezamenlijk gezag de belangen van de kinderen dient. De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onjuist is en dat het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek van de vader om eenhoofdig gezag wordt afgewezen en het gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd.