ECLI:NL:PHR:2012:BW4753
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffingsbevoegdheid Nederland bij gedeeltelijke afkoop pensioen in eigen beheer
Belanghebbende, aandeelhouder in Pensioen BV, bouwde pensioen in eigen beheer op. In 2004 onttrok hij €311.000 van de pensioenvoorziening, waardoor Pensioen BV niet langer aan haar pensioenverplichting kon voldoen. De Inspecteur legde een aanslag op op basis van artikel 19b, lid 1, onderdeel b, Wet LB, waarbij de volledige pensioenaanspraak van €715.024 werd belast als loon uit vroegere dienstbetrekking.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat sprake was van gedeeltelijke afkoop van het pensioen en bevestigden de heffing over de volledige aanspraak. Het Hof stelde dat Nederland als bronstaat bevoegd is tot heffing op grond van artikel 18, paragraaf 3, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag, omdat de afkoop een uitbetaling zonder periodiek karakter vóór pensioendatum betreft.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat er sprake was van een geldlening en dat de vordering van Pensioen BV op Holding BV volwaardig was, maar deze verweren werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de gehele pensioenaanspraak bij gedeeltelijke afkoop als loon moet worden belast en dat Nederland als bronstaat heffingsbevoegd is, mede gelet op de gezamenlijke toelichting bij het verdrag en het beginsel van goede verdragstrouw.
De Hoge Raad oordeelde verder dat de overeenkomst van geldlening pas in 2005 tot stand kwam en dat Pensioen BV ultimo 2004 niet over voldoende middelen beschikte om aan haar pensioenverplichting te voldoen. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de heffing over de volledige pensioenaanspraak bij gedeeltelijke afkoop wordt bevestigd.