Conclusie
A2.6
A2.7
A2.8
A2.9
A2.10
A2.11
A2.12
A2.13
A2.14
A2.15
A2.16
A2.17
A2.18
A2.19
A2.20
A3.3
A4.1
A4.2
A4.3
A4.4
A4.5
B1.
B2.
B3.
B4.
eerstemiddel klaagt dat het Hof in deze zaak ten onrechte - via een redenering gebaseerd op artikel 359a Sv - een schending van art. 6 EVRM Pro heeft aangenomen, doordat het Hof de rechtspraak van de Hoge Raad over het toestaan en (nog) kunnen verrichten van tegenonderzoek heeft miskend.
tweede,subsidiair voorgestelde, middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de in deze zaak toegepaste bewijsuitsluiting tevens tot vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde voorbereiding van het drugstransport behoort te leiden. Met de overweging dat de verdediging geen tegenonderzoek meer heeft kunnen verrichten en mitsdien niet onomstotelijk is komen vast te staan dat het inbeslaggenomen witte poeder cocaïne betrof, heeft het Hof verdachte vrijgesproken van iets anders dan tenlastegelegd en mitsdien de grondslag van de tenlastelegging verlaten, dan wel de beslissing tot vrijspraak ontoereikend gemotiveerd.