ECLI:NL:PHR:2013:1073

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2013
Publicatiedatum
24 oktober 2013
Zaaknummer
13/02990
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 10 lid 1 Wet BopzArt. 10 lid 2 Wet BopzArt. 14a SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis naast voorwaardelijke strafoplegging met opnamevoorwaarde

In deze zaak stond centraal of een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan samengaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde van opname in een kliniek. Betrokkene was aanvankelijk opgenomen op grond van een voorlopige machtiging, maar werd later in voorlopige hechtenis genomen wegens bedreiging. Na het onherroepelijk worden van het strafvonnis met opnamevoorwaarde, werd betrokkene opnieuw opgenomen in een forensisch psychiatrische kliniek.

De rechtbank verleende een machtiging tot voortgezet verblijf, ondanks dat betrokkene zich volgens de behandelend psychiater vrijwillig in de kliniek zou bevinden. De Hoge Raad bevestigde dat de voorlopige machtiging niet automatisch vervalt door de voorlopige hechtenis en dat het strafrechtelijke voorwaarde van opname geen zelfstandige titel is voor gedwongen opname. De machtiging tot voortgezet verblijf is nodig om het gevreesde gevaar af te wenden wanneer vrijwillige opname onvoldoende is.

De Hoge Raad verwierp de klachten over motivering en geldigheidsduur van de machtiging. Ook werd geoordeeld dat de dreiging van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf onvoldoende is om het gevreesde gevaar te keren, zodat een gedwongen opname gerechtvaardigd kan zijn. De machtiging tot voortgezet verblijf werd voor de maximale duur van een jaar toegekend, conform de wettelijke bepalingen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf wordt bevestigd.

Conclusie

13/02990
Mr. F.F. Langemeijer
30 augustus 2013
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Amsterdam
In deze Bopz-zaak gaat het hoofdzakelijk om de vraag of een machtiging tot voortgezet verblijf kan samengaan met een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf met bijzondere voorwaarde van opneming in een kliniek.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
In deze zaak is de chronologie van de gebeurtenissen van belang:
1.1.1.
Bij beschikking van 21 augustus 2012 heeft de rechtbank te Amsterdam een voorlopige machtiging verleend om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) te doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 Wet Pro Bopz).
1.1.2.
Betrokkene is op grond van deze machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis [1] .
1.1.3.
In oktober 2012 is betrokkene aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van, kort gezegd, bedreiging van hulpverleners op data in september/oktober 2012. Hij is overgebracht naar een huis van bewaring en opgenomen in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichting “Over Amstel”.
1.1.4.
Bij vonnis van 7 februari 2013 heeft (een meervoudige strafkamer van) de rechtbank betrokkene veroordeeld tot gevangenisstraf, gedeeltelijk voorwaardelijk, met onder meer de volgende bijzondere voorwaarde:
“De veroordeelde wordt verplicht om zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te laten opnemen in de FPK Inforsa Amsterdam of een soortgelijke intramurale instelling voor de maximale duur van zes maanden, zodra hij daartoe een oproep krijgt. De veroordeelde dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen, die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven.” [2]
De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf [3] . Het strafvonnis is onherroepelijk geworden.
1.1.5.
Op 9 februari 2013 is betrokkene opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van Arkin, te weten de forensisch-psychiatrische kliniek Inforsa.
1.2.
Op 21 februari 2013 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan de rechtbank aldaar een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verzocht (art. 15 Wet Pro Bopz). Bij dit verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd d.d. 11 februari 2013 van de waarnemend geneesheer-directeur, die zelf als niet bij de behandeling betrokken psychiater betrokkene heeft onderzocht.
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 19 maart 2013 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de behandelend psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend, met een geldigheidsduur tot 20 maart 2014.
1.4.
Namens betrokkene is – op 18 juni 2013, dus tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is, na aanvankelijk verleend uitstel, uiteindelijk geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Onderdeel I van het middel bevat een motiveringsklacht m.b.t. de verblijfstitel. Onderdeel II heeft betrekking op het bereidheidscriterium. Onderdeel III ziet op de vraag of het gevreesde gevaar kan worden afgewend door een vrijwillige opneming in het ziekenhuis, met de dreiging van tenuitvoerlegging van de hem voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf als prikkel voor betrokkene om zijn medewerking aan die opneming te verlenen. Onderdeel IV heeft betrekking op de geldigheidsduur van de verleende machtiging.
2.2.
Onderdeel Iklaagt dat het oordeel dat een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd. Ter toelichting wordt aangevoerd dat, om een dergelijke machtiging te kunnen verlenen, moet vaststaan dat er nog steeds sprake is van een voorlopige machtiging; in de beschikking is niet vastgesteld wat er met de op 21 augustus 2012 afgegeven voorlopige machtiging is gebeurd nadat betrokkene in voorlopige hechtenis was genomen. Volgens de toelichting is de rechtbank ervan uitgegaan dat betrokkene ten tijde van de bestreden beschikking vrijwillig in de kliniek verbleef.
2.3.
In het middelonderdeel lees ik geen rechtsklacht. Ten overvloede merk ik het volgende op. De strafrechter kan op grond van art. 14a in verbinding met art. 14c, lid 2, Sr bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd. Eén van de mogelijk op te leggen voorwaarden is de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling. Art. 14c Sr is ingaande 1 april 2012 gewijzigd; in iets andere bewoordingen stond een dergelijke bepaling voordien in het wetboek. De bepaling is in de praktijk vooral van belang voor die gevallen, waarin voor het desbetreffende delict geen terbeschikkingstelling (t.b.s.) kan worden opgelegd. Of de noodzaak van opneming in een zorginstelling zich voordoet staat ter beoordeling van de strafrechter. Dit neemt niet weg dat, eenmaal opgenomen, de duur van de feitelijke behandeling ter beoordeling staat van de behandelende artsen [4] . Een veroordeling tot gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat opnemen in een zorginstelling zoals een psychiatrisch ziekenhuis hoort thuis in de categorie: ‘geen dwang maar drang’. De gestelde bijzondere voorwaarde in het strafvonnis levert op zichzelf immers geen titel op voor een gedwongen opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis [5] . Indien de veroordeelde niet bereid of niet in staat is de bijzondere voorwaarde na te leven, beslist de strafrechter, desgevorderd, over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf (art. 14fa – 14j Sr). Bovendien kan de strafrechter de bijzondere voorwaarde wijzigen of de proeftijd verlengen (art. 14f Sr). In zoverre onderscheidt een voorwaardelijke strafoplegging zich van een onvoorwaardelijke last van de strafrechter tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 37 Sr Pro [6] en van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege als bedoeld in art. 37a en 37b Sr [7] . Een veroordeling door de strafrechter met de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis heeft ook niet het rechtsgevolg dat na opneming in het ziekenhuis hoofdstuk III Wet Bopz (over de interne rechtspositie van onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijvende patiënten) van toepassing wordt [8] . Indien art. 14a in verbinding met art. 14c Sr wordt toegepast ten aanzien van een patiënt die onvrijwillig is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis ingevolge een bepaling in hoofdstuk II van de Wet Bopz, en de bijzondere voorwaarde een ander psychiatrisch ziekenhuis vermeldt dan dat waarin hij verblijft, kan de patiënt zo nodig overplaatsing naar dat andere ziekenhuis verzoeken op de voet van art. 43 Wet Pro Bopz [9] .
2.4.
De rechtbank is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat de op 21 augustus 2012 verleende voorlopige machtiging niet is komen te vervallen als gevolg van (het onherroepelijk worden van) het strafvonnis waarin de genoemde bijzondere voorwaarde van opneming in een zorginstelling werd opgelegd. Anders dan het middel beweert, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Een voorlopige machtiging geeft gedurende het tijdvak waarvoor zij is verleend het openbaar ministerie de bevoegdheid om de betrokken patiënt onvrijwillig te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis [10] . In dit geval is de tenuitvoerlegging van de machtiging binnen twee weken aangevangen [11] . De officier van justitie heeft vanaf een datum in oktober 2012 voorrang gegeven aan het strafrechtelijk traject en betrokkene in voorlopige hechtenis doen stellen. Nadat de voorlopige hechtenis was geëindigd (op de datum waarop het strafvonnis onherroepelijk is geworden, welke datum ergens tussen 7 en 9 februari 2013 kan worden gesitueerd [12] ), bestond er wettelijk geen beletsel om de onderbroken tenuitvoerlegging van de voorlopige machtiging, die een geldigheidsduur had tot en met 21 februari 2013, te hervatten voor het restant van de geldigheidsduur. Nadat een gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis door een ontslag uit het ziekenhuis op grond van de Wet Bopz is beëindigd, is een machtiging tot voortgezet verblijf niet meer mogelijk. Uit de bestreden beschikking en de overgelegde processtukken blijkt echter niet dat de geneesheer-directeur aan betrokkene tussentijds ontslag uit het ziekenhuis zou hebben verleend op de voet van art. 48 Wet Pro Bopz, noch dat de rechter ontslag uit het ziekenhuis heeft bevolen, noch dat de officier van justitie van verdere tenuitvoerlegging van de 21 augustus 2012 verleende machtiging heeft afgezien.
2.5.
Over de vraag of in dit geval, na de beëindiging van de voorlopige hechtenis, de tenuitvoerlegging van de voorlopige machtiging inderdaad is hervat, bevat het dossier uiteenlopende informatie. De rechtbank vermeldt op blz. 2 de opvatting van de behandelend psychiater dat betrokkene ‘thans’ (d.w.z. op 19 maart 2013) op vrijwillige basis in de FPK Inforsa verblijft. De geneeskundige verklaring vermeldt op blz. 1 dat betrokkene in de kliniek verblijft op basis van de lopende machtiging en op blz. 2 dat betrokkene met een “voorwaardelijke machtiging” is opgenomen. Nergens in het dossier is echter steun te vinden voor de veronderstelling dat een voorwaardelijke machtiging (art. 14a Wet Bopz) is verleend en op de voet van art. 14d Wet Bopz opneming heeft plaatsgevonden. Op blz. 5 van de geneeskundige verklaring heeft de (wnd.) geneesheer-directeur uiteengezet waarom zijns inziens met een vrijwillige opname, ter voldoening aan de bijzondere voorwaarde in het strafvonnis (art. 14a – 14c Sr), niet kan worden volstaan. Het behandelingsplan vermeldt, evenals de aantekeningen ex art. 37a Wet Bopz, dat betrokkene in de FPK Inforsa is opgenomen in het kader van de bijzondere voorwaarde die de strafrechter had opgelegd. Kennelijk bestaat binnen de inrichting onduidelijkheid over de verblijfstitel en overheerst de opvatting dat een gedwongen opneming in de zin van de Wet Bopz nodig wordt geacht om het gevreesde gevaar te keren: alleen in dat geval kan betrokkene worden belet de kliniek te verlaten en alleen in dat geval is onvrijwillige behandeling als bedoeld in hoofdstuk III Wet Bopz mogelijk.
2.6.
De rechtbank vermeldt op blz. 2 het verweer van de raadsvrouwe dat betrokkene vrijwillig in de FPK Inforsa is opgenomen. De rechtbank gaat kennelijk ervan uit dat betrokkene als vrijwillig opgenomen patiënt verblijft in de FPK Inforsa, ook al is dat ter voldoening aan de bijzondere voorwaarde in het strafvonnis, en dat zulks niet in de weg staat aan het verlenen van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz. De rechtbank acht een gedwongen opneming noodzakelijk om het gevreesde gevaar te keren. Zij wijst erop dat een vrijwillige opneming voor de behandelaar geen titel vormt om betrokkene het vertrek uit het psychiatrisch ziekenhuis te beletten. Die redengeving is niet onbegrijpelijk. Weliswaar kan worden gezegd dat de waardering van de feiten door de familiekamer van de rechtbank een andere is dan die van de strafkamer, maar dat zou hoogstens kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat de beslissing een nadere motivering behoefde. Die nadere motivering heeft de rechtbank gegeven. De slotsom is dat de motiveringsklacht van onderdeel I faalt.
2.7.
Onderdeel IIis gericht tegen de vaststelling (op blz. 3 van de bestreden beschikking) dat bij betrokkene onvoldoende sprake is van bereidheid tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens de klacht is deze vaststelling onbegrijpelijk, nu uit de stukken niet blijkt dat betrokkene, die ten tijde van de bestreden beschikking bijna anderhalve maand in de kliniek was opgenomen, de kliniek heeft verlaten of daartoe pogingen heeft ondernomen.
2.8.
De desbetreffende vaststelling is inderdaad summier. Zij moet evenwel worden bezien in samenhang met hetgeen de rechtbank daaraan voorafgaand overwoog over het gevaar dat niet kan worden gekeerd indien niet kan worden belet dat betrokkene het psychiatrisch ziekenhuis verlaat. Daarbij doelt zij op het gevaar dat betrokkene aan een ander ernstig letsel zal toebrengen, gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen en/of het gevaar dat betrokkene door zijn hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen. De wet eist de nodige bereidheid. Met het woord “nodige” wordt tot uitdrukking gebracht dat niet iedere bereidverklaring tot (voortgezet) verblijf aan het verlenen van een rechterlijke machtiging in de weg behoeft te staan: de rechter heeft een beoordelingsmarge [13] . Een bereidverklaring bijvoorbeeld die zich beperkt tot de zgn. hotel-functie van het ziekenhuis (“bed, bad en brood”) of een geclausuleerde bereidverklaring behoeft de rechter niet zonder meer te accepteren als een reële bereidheid van de patiënt tot opneming en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis [14] .
2.9.
Naar vaste rechtspraak is een standaardmotivering toelaatbaar, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan [15] . Uit de bestreden beschikking en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene ter zitting heeft medegedeeld dat hij van mening is dat de huidige kliniek niet de juiste kliniek voor hem is. Hij wil naar een verslavingskliniek. Uit de geneeskundige verklaring [16] blijkt dat betrokkene zeer beperkt ziektebesef en inzicht heeft en geweigerd heeft zijn medicijnen in te nemen. In het behandelingsplan [17] is onder meer vermeld:
“Betrokkene heeft van de rechtbank artikel 14a van het wetboek van strafrecht opgelegd gekregen, met als bijzondere voorwaarde een klinische psychiatrische behandeling voor de duur van maximaal zes maanden. Echter dit justitiële artikel biedt geen behandelopties. Betrokkene heeft al gezegd dat hij liever dat “maandje” uitzit… Derhalve wordt een verlenging van de huidige civielrechtelijke machtiging volgens de wet BOPZ cruciaal geacht om het gevaar te kunnen afwenden.”
De uit de gedingstukken naar voren komende feiten zijn naar mijn mening voldoende sprekend om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering is volstaan [18] . Onderdeel II faalt.
2.10.
Onderdeel IIIis in het bijzonder gericht tegen de overweging dat het in art. 15 lid 2 Wet Pro Bopz, in verbinding met art. 1 van Pro die wet, bedoelde ‘gevaar’ niet kan worden afgewend door middel van de (dreiging van tenuitvoerlegging van de) aan betrokkene voorwaardelijk opgelegde straf. Volgens de rechtbank brengt de omstandigheid dat betrokkene “hechtenis” [19] te wachten staat indien hij de gestelde voorwaarde niet naleeft, niet mee dat de kliniek hem het vertrek kan verhinderen. Het verblijf van betrokkene in de kliniek berust immers op vrijwilligheid. Volgens de klacht is dit geen toereikende motivering voor de verwerping van het gevoerde verweer, dat de behandelaars tegen de achtergrond van de dreiging van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de vrijheidsstraf voldoende mogelijkheden hebben om betrokkene te behandelen.
2.11.
Onder vigeur van de vroegere Krankzinnigenwet heeft de Hoge Raad beslist dat niet juist was de toen geuite veronderstelling dat de mogelijkheid van opheffing van de schorsing van een voorlopige hechtenis wegens overtreding van een schorsingsvoorwaarde, die inhield dat de verdachte zich in een psychiatrisch ziekenhuis zou laten opnemen, een middel oplevert om het verlaten van het ziekenhuis te beletten dat even doeltreffend is als een rechterlijke machtiging tot plaatsing. De Hoge Raad noteerde dat bij de beoordeling of de schorsing wegens overtreding van deze voorwaarde moet worden opgeheven, een andere afweging in aanmerking komt dan bij de rechterlijke machtiging tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Bovendien pleegt de procedure tot opheffing van een schorsing van de voorlopige hechtenis tijd te vergen [20] .
2.12.
Widdershoven [21] schreef over het verband tussen de strafrechtelijke voorwaarde en de Bopz-titel:
“In het kader van het al dan niet verlenen van een Bopz-titel is (met inachtneming van de proportionaliteitseis) bepalend of aan de wettelijke Bopz-vereisten is voldaan. Het feit dat aan betrokkene een strafrechtelijke voorwaarde is opgelegd, heeft in dat verband geen zelfstandige betekenis. Wel kan zo’n voorwaarde indirect een rol spelen. Als bij betrokkene de nodige bereidheid bestaat tot opneming en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis kan geen Bopz-titel volgen. (…) Genoemde bereidheid (kan) zeer wel ingegeven zijn door de aanwezigheid van een strafrechtelijke voorwaarde. (…) Die voorwaarde kan als stok achter de deur fungeren en zodoende een dwangopneming helpen voorkomen.”
De rechtbank heeft in het onderhavige geval geoordeeld dat de voorwaardelijke veroordeling [lees: de dreiging van tenuitvoerlegging] onvoldoende is om het gevaar, als gevolg van de stoornis, af te wenden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd, gelet op de inhoud van de gedingstukken, waaronder het gebrek aan behandelopties in combinatie met het weigeren van medicatie door betrokkene. De omstandigheid dat een inbewaringstelling (art. 20 Wet Pro Bopz) kan worden aangevraagd indien betrokkene de kliniek wenst te verlaten – een in eerste aanleg niet aangevoerd argument −, maakt dit niet anders, reeds gelet op de tijd die nodig is voor een inbewaringstelling.
2.13.
Onderdeel IVklaagt dat de rechtbank de geldigheidsduur van de verleende machtiging ten onrechte dan wel op onbegrijpelijke gronden heeft bepaald op het tijdvak tot 20 maart 2014 (één jaar, gerekend vanaf de datum van de machtiging) en niet op het tijdvak tot 22 februari 2014 (één jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging).
2.14.
De hoofdregel is dat een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur heeft van ten hoogste een jaar na haar dagtekening (art. 17 lid 3 Wet Pro Bopz). Die hoofdregel is in dit geval niet geschonden. Indien de officier van justitie het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf heeft ingediend (weliswaar niet in de 6e of 5e week zoals art. 17 lid 1 Wet Pro Bopz voorschrijft, maar nog wel) vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, kán de rechtbank de geldigheidsduur evenredig verkorten; zij is daartoe niet verplicht. De reden waarom de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om van deze bevoegdheid gebruik te maken, behoefde geen nadere motivering; in eerste aanleg is geen verzoek aan de rechtbank gedaan om van deze bevoegdheid gebruik te maken [22] . Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht stuiten hierop af, zodat onderdeel IV faalt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft hierover geen verdere vaststellingen gedaan. Uit een vermelding in de overgelegde aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz valt op te maken dat betrokkene op 21 augustus 2012 werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van Mentrum (Vlaardingenlaan).
2.Zie art. 14c, lid 2, Sr. De gebruikte afkortingen staan voor: Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (een onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van V en J; zie www.nifpnet.nl) respectievelijk voor: Indicatiestelling Forensische Zorg.
3.Zie voor dit laatste: art. 72 lid 4 Sv Pro.
4.In het strafrecht bestond hierover tot voor kort discussie: zie HR 6 november 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AB9573), NJ 1991/274 m.nt. GEM; HR 30 januari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ0262), NJ 2007/97; HR 12 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5449), NJ 2013/132.
5.Zij is dan ook niet genoemd in de lijst van mogelijke titels voor een gedwongen opneming in art. 53 Wet Pro Bopz.
6.Zie daarover: HR 12 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO3233), NJ 2007/106 m.nt. P.A.M. Mevis, BJ 2005/2 m.nt. T.P. Widdershoven; HR 7 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7406), BJ 2010/28. Zie ook artikel 51 Wet Pro Bopz.
7.Zie daarover: HR 18 april 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF5555), NJ 2003/628 m.nt. JdB; HR 13 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1500), BJ 2008/46.
8.Zie over deze problematiek ook: E.E. Können en A.J.J. van der Kwartel, Grensgebieden van de Wet Bopz, deelrapport 4 bij het rapport “Voortschrijdende inzichten” van de Derde evaluatiecommissie van de Wet Bopz, uitgave VWS 2007, blz. 7 – 8.
9.Iets anders is de – in dit geding niet aan de orde gestelde – vraag of de officier van justitie belang heeft bij een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf indien de betrokkene zich reeds vrijwillig heeft laten opnemen; zie voor een ontkennend antwoord: Rb Roermond 17 mei 1999 (ECLI:NL:RBROE:1999:AD3048), NJ 1999/639, kBJ 1999/64 m.nt. T.P. Widdershoven.
10.Ingevolge art. 66 Wet Pro Bopz is het Openbaar Ministerie met de tenuitvoerlegging belast. Indien geen ziekenhuis bereid is gevonden de betrokken patiënt op te nemen, kan de officier van justitie op de voet van art. 10 lid 2 Wet Pro Bopz een bepaald ziekenhuis bevelen de betrokkene op te nemen.
11.Zie art. 10 lid 1 Wet Pro Bopz.
12.Weliswaar bedraagt de termijn voor hoger beroep in strafzaken veertien dagen, maar deze termijn kan worden verkort door afstand te doen van dat rechtsmiddel, hetgeen de rechtbank (blz. 1) hier blijkbaar heeft afgeleid uit de mededelingen van de raadsvrouwe.
13.HR 7 april 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1703), NJ 1995/616 m.nt. J. de Boer; HR 6 februari 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AB9332), NJ 1998/302.
14.Zie over de maatstaf van de “nodige bereidheid” onder meer: HR 8 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB5549), NJ 2008/385 m.nt. J. Legemaate, BJ 2008/20 m.nt. T.P. Widdershoven; HR 8 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC3885), NJ 2008/384; BJ 2008/18.
15.Zie o.m.: HR 16 mei 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2374), NJ 1998/221 m.nt. JdB.
16.Blz. 2, onder 3 a, en blz. 4, onder 4 a en d.
17.Blz. 2, onder 6 b.
18.Vgl: Rb Utrecht 2 februari 2001 (ECLI:NL:RBUTR:2001:AS7835), BJ 2001/33 m.nt. red., waarin ook het gebrek aan consistentie in de bereidheid van de patiënt een rol speelde. Zie voorts: De Wet Bopz, losbl., aantek. 10.1 bij art. 51 (Widdershoven).
19.Bedoeld is kennelijk: tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de vrijheidsstraf.
20.HR 31 oktober 1986 (ECLI:NL:HR:1986:AC9551), NJ 1987/127.
21.Noot bij Rb Roermond 17 mei 1999, kBJ 1999/64.
22.Vgl. HR 23 februari 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AD2497), NJ 1996/618 m.nt. JdB, rov. 3.3. De steller van het middel heeft mogelijk een andere situatie voor ogen gehad, te weten die waarin de machtiging tot voortgezet verblijf eerst is verzocht nadat de voorafgaande machtiging al was verstreken: in die situatie moet de rechter de geldigheidsduur evenredig verkorten; zie HR 19 januari 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC1969), NJ 1996/604 m.nt. JdB, rov. 3.4.