Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair, dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen, en
subsidiair, dat de diefstal van de goederen voor [verweerder] overmacht oplevert. [4]
Initiatief dj-cursus
2.Beoordeling van het cassatieberoep
middelbestaat uit drie onderdelen (‘klachten’), waarvan de eerste twee zijn onderverdeeld in subklachten. Het eerste onderdeel heeft betrekking op het in het tussenarrest van 18 januari 2011 geformuleerde probandum. Het tweede onderdeel keert zich tegen de in het eindarrest gegeven bewijswaardering. Het derde onderdeel behelst een algemene veegklacht.
subonderdeel I.1is het hof voorbij gegaan aan de essentiële stellingen van [verzoeker] in zijn memorie van antwoord onder 15 t/m 19, welke stellingen er kort samengevat op neer zouden komen dat [verweerder] zich niet kan beroepen op overmacht (lees: als bedoeld in het arrest HR 24 oktober 1997, NJ 1998/69, toev. A-G [8] ), omdat (i) [verweerder] de goederen onbeheerd in de club van [betrokkene 1] heeft achtergelaten en de sleutels ter beschikking heeft gesteld aan iemand die hij naar eigen zeggen niet kende, en (ii) [verzoeker] een hobbyist is en geen professionele verhuurder.
kanleiden, nu [verweerder] de sleutel heeft afgegeven aan een hem – ook volgens eigen stellingen [13] –
onbekendederde. Daarin onderscheidt deze zaak zich van de zaak Spruijt/Tigchelaar Autoverhuur, waarin het ging om een alledaags verzoek van een
bekendederde waarbij redelijkerwijs geen rekening behoefde te worden gehouden met de intentie tot diefstal.
enniet is te wijten aan zijn schuld
enniet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:75 BW Pro). Voor niet-toerekenbaarheid (ook wel: overmacht) is derhalve in beginsel het ontbreken van schuld niet genoeg; de tekortkoming moet tevens niet voor risico van de debiteur komen.
autonaar in het verkeer geldende opvattingen niet voor rekening komt van de huurder indien a. de auto voor
betrekkelijk korte tijdis gehuurd van b. een
professionele verhuurder. In die omstandigheden staat het ontbreken van schuld derhalve gelijk aan niet-toerekenbaarheid (overmacht). Deze regel geldt
in beginsel, zodat ruimte is voor een andere uitkomst indien de feiten daartoe aanleiding geven. [23] Tevens kan uit het arrest worden afgeleid dat naar het oordeel van Uw Raad in de beschreven omstandigheden geen sprake is van
schuldvan de huurder.
schuldaan de zijde van [verweerder]. Zij berusten op het uitgangspunt dat aan het ontbreken van schuld reeds in de weg staat het enkele feit dat [verweerder] de goederen onbeheerd heeft achtergelaten en de sleutel heeft afgegeven aan een hem onbekende, zulks in tegenstelling tot het geval dat leidde tot het arrest Spruijt/Tigchelaar, waarin de sleutel door de huurder op een alledaags verzoek van een bekende aan deze werd afgegeven en dit de Hoge Raad tot het oordeel bracht dat de huurder geen schuld trof.
opzetje’ te bewijzen, terwijl het hof in het eindarrest (rov. 2.13, 2.14) bewezen heeft geoordeeld dat het gehuurde is gestolen zonder dat sprake is van
schuldvan [verweerder]. Volgens de klacht miskent het hof daarmee dat het is gebonden aan zijn eigen eindbeslissingen en geeft het hetzij een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, hetzij een onbegrijpelijke uitleg van rov. 4.8 en 4.9 van het eerste tussenarrest. Voorts is het hof buiten het – op het ‘opzetje’ gerichte – debat van partijen getreden. [29] Indien het hof een ‘opzetje’ bewezen heeft geacht is ten slotte onbegrijpelijk waarin dat ‘opzetje’ is gelegen.
“de getuigenverklaring van [verweerder] voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal in onderlinge samenhang beschouwd”, in strijd met art. 164 lid 2 Rv Pro vrije bewijskracht aan de partijgetuigenverklaring van [verweerder] heeft toegekend. Volgens [verzoeker] is geen sprake van het vereiste overige bewijs dat de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt, althans zou het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. In
subonderdeel II.2.1voert hij daartoe
ten eersteaan dat de vaststelling van het hof (in rov. 2.12, voorlaatste gedachtestreepje) dat de verklaring van [verweerder] steun vindt in de verklaring van een van de andere getuigen ten aanzien van de (voor het probandum niet essentiële) punten van het ophalen van de spullen en het tijdstip van bellen, onvoldoende is om aan die verklaring vrije bewijskracht te verlenen.
Ten tweedeheeft het hof miskend dat verklaringen van andere getuigen die als kennelijk onjuist, inconsistent en ten dele ongeloofwaardig zijn aangemerkt (rov. 2.12, rov 2.13 laatste volzin) geen aanvullend bewijsmateriaal in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro opleveren, althans is zijn andersluidende oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel II.2.2vervolgt dat het slagen van subonderdeel II.2.1 ook rov. 2.13, 2.14 en het dictum zou raken.
voldoendesteun vindt in “het overige bewijsmateriaal in onderling verband beschouwd”, niet uitsluitend doen steunen op zijn conclusie (in rov. 2.12, voorlaatste gedachtestreepje) dat de verklaring van [verweerder] ter zake de aldaar genoemde punten [37] (positief) steun vindt in een andere getuigenverklaring. Het heeft dit oordeel, gelet op de in rov. 2.13 vastgestelde omstandigheden – welker vaststelling is gebaseerd op een waardering van
alhet in rov. 2.6-2.12 genoemde positieve en negatieve bewijsmateriaal – mede gebaseerd op de ongeloofwaardigheid, inconsistentie e.d. van het overige bewijs. Dat het hof dit kon doen, heb ik hiervoor betoogd.