ECLI:NL:PHR:2020:1053
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurder niet aansprakelijk voor brandschade aan bedrijfshal door brand in geparkeerde taxibus
In deze zaak huurde [verweerster] een bedrijfshal van [eiseres] voor het stallen van taxibusjes. Tijdens het parkeren van de tiende bus ontstond brand in een eerder geparkeerde taxibus, wat leidde tot aanzienlijke schade aan de bedrijfshal. [eiseres] vorderde schadevergoeding op grond van art. 7:218 lid 1 BW Pro, stellende dat de brand in de risicosfeer van [verweerster] lag.
De kantonrechter wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat het enkele feit dat de brand in de bus ontstond onvoldoende is om aansprakelijkheid aan te nemen zonder bewijs van een tekortkoming door de huurder. Het hof baseerde zich op het uitsluitingsvereiste voor het bewijsvermoeden bij brandschade in art. 7:218 lid 2 BW Pro en concludeerde dat [eiseres] onvoldoende had bewezen dat de brand werd veroorzaakt door een gebrek in de bus of een tekortkoming van [verweerster].
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de huurder alleen aansprakelijk is indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, waarbij goed huurderschap een inspanningsverplichting inhoudt. Het enkele feit dat een bus van de huurder in brand vloog, vormt geen bewijs van een tekortkoming. De Hoge Raad wijst ook het beroep van [eiseres] op art. 7:224 BW Pro af, omdat brandschade niet automatisch betekent dat de huurder tekortschiet in de opleveringsverplichting.
De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond is en dat de aansprakelijkheid voor brandschade aan het gehuurde niet zonder meer bij de huurder kan worden gelegd zonder bewijs van tekortkoming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de huurder is niet aansprakelijk voor de brandschade aan de bedrijfshal.