ECLI:NL:PHR:2013:1137
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de middelingsregeling en de rol van premies volksverzekeringen bij middelingsteruggaaf
De zaak betreft de vraag of bij de berekening van een middelingsteruggaaf inkomstenbelasting rekening moet worden gehouden met de premies volksverzekeringen. Belanghebbende verzocht om een middelingsteruggaaf voor de jaren 2007 tot en met 2009, welke door de Inspecteur werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende stelde cassatie in.
De middelingsregeling is bedoeld om het progressienadeel te beperken dat kan ontstaan bij sterk wisselende inkomens. Volgens artikel 3.154 van de Wet IB 2001 wordt bij middeling ook de premie volksverzekeringen als rekengrootheid betrokken, maar de premieheffing zelf is uitgesloten van middeling krachtens artikel 58 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit betekent dat de middelingsregeling geen gevolgen heeft voor de daadwerkelijk verschuldigde premie of de aanspraken daarop.
De Hoge Raad oordeelt dat de wijze waarop de premie volksverzekeringen als rekengrootheid wordt betrokken in de middeling binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. De materiële invloed van de premie op de middelingsteruggaaf leidt niet tot schending van het eigendomsrecht of het gelijkheidsbeginsel. De berekening van de middelingsteruggaaf door de Inspecteur is correct en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat de premie volksverzekeringen weliswaar niet middelt, maar als rekengrootheid wordt meegenomen in de berekening van de middelingsteruggaaf, hetgeen een fiscale teruggaaf betreft en geen wijziging van premieheffing of verzekeringsrechten tot gevolg heeft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de berekening van de middelingsteruggaaf met inachtneming van de premie volksverzekeringen is rechtsgeldig.