Conclusie
1.Procesverloop
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het tussenarrest
3.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissingen
Zuidplas West" tot uitvoering te brengen, en op vergelijkingstransacties.
4.Bespreking van het eerste cassatiemiddel
eerste klachtengroepstaat de vaststelling dat het te onteigenen perceelsgedeelte geen deel uitmaakt van een complex niet eraan in de weg dat bij de waardebepaling acht wordt geslagen op de bestemming en de (verwachtings)waarde van het overblijvende en de omringende gronden. Het uitgangspunt van het hof in rov. 4.4 van het tussenarrest dat de waarde van het onteigende moet worden bepaald aan de hand van zijn eigen gebruiksmogelijkheden, los van de omringende gronden, zou daarom onjuist en/of onbegrijpelijk zijn. Nu het hof op dit uitgangspunt voortbouwt bij zijn in rov. 4.5 van het tussenarrest gegeven oordeel dat geen rekening mag worden gehouden met een ruimtelijke ontwikkeling die inhoudt dat het onteigende in de toekomst een woningbouwbestemming had of zou kunnen verkrijgen, is dat oordeel om dezelfde reden onjuist en onbegrijpelijk, aldus de klacht.
zonder meerte zeggen; dat de strook zijn landbouwbestemming ook op langere termijn zal behouden evenmin. Het is aan de onteigeningsrechter om zich te buigen over de vraag wat de redelijk handelende verkoper en koper zouden hebben verwacht dat er met het onteigende had kunnen gebeuren als daarop geen verkeersweg zou zijn aangelegd. Inderdaad een uiterst lastig te beantwoorden vraag, die fictie (geen verkeersweg) op fictie (het onteigende zou, de verkeersweg weggedacht, een andere bestemming dan landbouw kunnen krijgen of hebben kunnen krijgen) op fictie (in het vrije commerciële verkeer redelijk handelende partijen) stapelt, maar een vraag die hij toch, liefst met hulp van deskundigen, dient te beantwoorden.
sluit dus niet uitdat het onteigende (als dat geen verkeersbestemming had gekregen) een woonbestemming had of zou kunnen krijgen, maar oordeelt dat daarmee geen rekening mag worden gehouden omdat ervan moet worden uitgegaan dat het onteigende geen onderdeel uitmaakt van een complex en daarom los van de (mogelijke toekomstige) gebruiksmogelijkheden van de omringende gronden moet worden gewaardeerd.
het onteigendegeen onderdeel van een complex uitmaakt doet steunen op haar oordeel dat
de op het onteigende aangelegde weg N219geen onderdeel uitmaakt van een complex. Laatstbedoeld oordeel was slechts relevant, lijkt mij, in het verlengde van het door de rechtbank gehuldigde visie dat de op het onteigende rustende verkeersbestemming niet als “dwangbestemming” kon worden geëlimineerd. Inmiddels staat echter vast dat de op het onteigende rustende verkeersbestemming wèl moet worden geëlimineerd, nu die (naar het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof) op grond van art. 40c Ow moet worden weggedacht (zie bij 3.6 hierboven). Bij die stand van zaken is de verwerping door de rechtbank van het beroep van [eisers] op complexwaarde naar mijn mening irrelevant geworden. Anders (en mogelijk duidelijker) gezegd: de vraag of het nadeel van een waardedrukkende bestemming kan worden gemitigeerd door de toepassing van de egalisatieregel van art. 40d Ow is niet van belang als die bestemming reeds op grond van art. 40c moet worden weggedacht. Het antwoord op die vraag dicteert in ieder geval, naar ik meen, allerminst in hoeverre - de verkeersbestemming weggedacht - een redelijk handelende koper een mogelijke toekomstige ontwikkeling als woningbouwgrond in zijn biedprijs zal verdisconteren. Dat hangt, als gezegd, af van de omstandigheden van het concrete geval.
tweede klachtengroepricht zich, als gezegd, tegen rov. 2.3 van het eindarrest, waarin het hof bleef bij zijn oordeel dat de verwerping door Uw Raad van de klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat het onteigende geen onderdeel uitmaakt van een complex eraan in de weg staat dat de ontwikkeling van het overblijvende en de omringende gronden betrokken kan worden bij de bepaling van de verwachtingswaarde. In het verlengde van het voorgaande acht ik ook de in deze klachtengroep voorgestelde rechtsklachten gegrond terwijl de motiveringsklachten geen behandeling behoeven. In de uiteenzetting van het hof waarom het niet tot andere gedachten is gekomen dan reeds in het tussenarrest verwoord, lees ik geen gronden die het oordeel dat aan het onteigende geen (of hoogstens een zeer latente) verwachtingswaarde toekomt zelfstandig kunnen dragen. Ook in die uiteenzetting persisteert het hof immers, getuige de woorden “los van het overblijvende en van omringende gronden” (midden in rov. 2.3) bij zijn - door het middel terecht bestreden - zienswijze dat niet mag worden gelet op de ontwikkeling van buiten de grenzen van het onteigende liggende gronden.