Conclusie
nemo tenetur-beginsel.
1.De feiten en het procesverloop
volgt een bespreking van EHRM-rechtspraak, noot A-G].
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nemo tenetur-beginsel in de weg staat aan de toepassing van dit dwangmiddel. Het
nemo tenetur-beginsel [8] wordt in ruime zin opgevat als het beginsel dat een burger niet verplicht is medewerking te verlenen aan zijn eigen veroordeling in een strafproces of in een andere procedure die tot oplegging van een punitieve sanctie kan leiden (m.a.w. het recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie). Het beginsel is internationaal gecodificeerd in art. 14 IVBPR Pro [9] en nationaal, bijvoorbeeld, in het zwijgrecht van de verdachte (art. 29 lid 1 Sv Pro). In eerste aanleg heeft de gefailleerde in dit verband gewezen op de bepalingen over het zwijgrecht van getuigen in een procedure voor de burgerlijke rechter [10] .
nemo tenetur-beginsel en de verplichting tot het verschaffen van inlichtingen aan de Belastingdienst (art. 47 Algemene Pro wet rijksbelastingen) aan de orde. Samengevat overwoog de Hoge Raad het volgende [12] :
nemo tenetur-beginsel in relatie tot de rechtspraak van het EHRM over dit onderwerp. Uit die rechtspraak volgt, aldus de klacht, dat wanneer de betrokkene niet kan uitsluiten dat de onder dwang verstrekte informatie later strafvorderlijk tegen hem kan worden gebruikt, de toepassing van het dwangmiddel van gijzeling in strijd is met art. 6 EVRM Pro, ook al is tegen hem nog geen vervolging ingesteld. Onder II.2 verbindt het middelonderdeel hieraan een (niet nader gespecificeerde) motiveringsklacht.
nemo tenetur-beginsel.
nemo tenetur-beginsel de eis zou hebben gesteld dat de gefailleerde al in staat van beschuldiging is gesteld, missen de klachten feitelijke grondslag: het hof heeft die eis niet gesteld. Iets anders is, dat het hof uit de in rov. 3.8 aangehaalde rechtspraak van het EHRM in rov. 3.9 de gevolgtrekking heeft gemaakt dat deze inbewaringstelling niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro. Het hof baseert dit op zijn oordeel dat “de vraag of, en zo ja in hoeverre, van de door [de gefailleerde] aan de curator te verstrekken gegevens gebruik mag worden gemaakt in een eventuele strafzaak” in de onderhavige gijzelingsprocedure niet aan de orde is en pas aan de orde kan komen bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen de gefailleerde ingestelde strafvervolging (d.w.z.: in een toekomstige strafzaak). Het laatste oordeel is slechts in zoverre juist, dat het oordeel welk gevolg aan de schending van een restrictie wordt verbonden, toekomt aan de strafrechter. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013. Dit wil echter niet zeggen dat in de onderhavige gijzelingsprocedure geen voorziening in verband met het nemo tenetur-beginsel behoeft te worden getroffen. Indien het arrest van 12 juli 2013
mutatis mutandiswordt toegepast op de situatie van een faillissementsgijzeling, moet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van (het voortduren van) de in verzekerde bewaringstelling, als het ware worden vooruitgelopen op een mogelijke vervolging in de toekomst. In zoverre slaagt de rechtsklacht van onderdeel II. In het voetspoor daarvan, slagen ook onderdeel III en onderdeel IV. Op de gevolgen daarvan kom ik hieronder terug. Voor zover de bestreden beslissing hierop berust dat in deze gijzelingszaak er geen sprake van is dat de gefailleerde als verdachte in de zin van art. 29 Sv Pro wordt verhoord, is dat niet beslissend.
nemo tenetur-beginsel wordt aangenomen, behoort de rechter op grond van art. 5 EVRM Pro nog wel een afweging te maken of de vrijheidsbeneming op deze grond kan worden voortgezet [21] . In dát verband heeft het hof in rov. 3.9 de belangenafweging gemaakt. Indien één of meer van de voorgaande middelonderdelen slagen, maar een mogelijke strijdigheid met het nemo tenetur-beginsel kan worden weggenomen door een voorziening te treffen zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, zou onderdeel V evenmin opgaan. Na het voorgaande behoeft dit middelonderdeel m.i. geen verdere bespreking [22] .