ECLI:NL:PHR:2013:CA3925
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging tot voortgezet verblijf na verstrijken voorlopige machtiging Wet Bopz
In deze zaak gaat het om de vraag of een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden verleend nadat de voorlopige machtiging is verstreken en het verzoek door het openbaar ministerie te laat is ingediend. Betrokkene verbleef op grond van een voorlopige machtiging in het ziekenhuis, die op 28 december 2012 was verlopen. De officier van justitie diende het verzoek tot voortgezet verblijf pas op 4 januari 2013 in, nadat de voorlopige machtiging was verstreken.
De rechtbank verleende desondanks een machtiging tot voortgezet verblijf met een beperkte geldigheidsduur. Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever geen sanctie heeft verbonden aan het te laat indienen van het verzoek door de officier van justitie. Indien het verzoek ná het verstrijken van de voorlopige machtiging wordt ingediend, kan het verblijf worden aangemerkt als vrijwillig, mits betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid.
De Hoge Raad overweegt dat een periode van vrijwillig verblijf na het verlopen van de voorlopige machtiging niet in de weg staat aan het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat betrokkene na het verstrijken van de voorlopige machtiging vrijwillig in het ziekenhuis verbleef en dat het verzoek van de officier van justitie ondanks de te late indiening kon worden toegewezen. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft van kracht.