Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Beslissing
20 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor witwassen. Het hof had vastgesteld dat verdachte op 15 september 2011 een bedrag van €18.140,- in een kluis in zijn woning had, afkomstig uit zijn eigen misdrijf, namelijk handel in cocaïne. Het hof oordeelde dat dit voorhanden hebben van het geldwitwassen opleverde, mede omdat het geld met een elastiekje was gebundeld en verborgen lag in een doos van een flatscreentelevisie.
De Hoge Raad herhaalt dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf niet automatisch witwassen oplevert. Er moet sprake zijn van gedragingen die gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst. In deze zaak ontbrak een voldoende gemotiveerd oordeel van het hof dat verdachte meer deed dan het enkel voorhanden hebben van het geldbedrag. Het verbergen van het geld in de kluis was onvoldoende om te concluderen dat verdachte ook de criminele herkomst wilde verbergen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De zaak wordt opnieuw behandeld op het bestaande hoger beroep. Hiermee benadrukt de Hoge Raad de noodzaak van een duidelijke motivering bij het kwalificeren van gedragingen als witwassen wanneer het gaat om opbrengsten van eigen misdrijf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van het witwassen.