Conclusie
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 2.1is het onbegrijpelijk dat het hof in rechtsoverweging 2.8 de verwijzing van Edco in haar conclusie van antwoord onder 25 en 26 heeft gekwalificeerd als een voldoende duidelijk en gespecificeerd “verweer-bij-verwijzing” tegen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van FAR. Edco heeft, aldus het subonderdeel, bij conclusie van antwoord – uiterst subsidiair – onder 25 verwezen naar de conclusie van dupliek, maar daarbij niets opgemerkt over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van FAR. Slechts onder 26 van die conclusie heeft Edco ongemotiveerd gesteld dat die voorwaarden nimmer van toepassing zijn geweest, maar daarbij niet verwezen naar enige stelling uit de conclusie van dupliek van haar zaak tegen Wiener.
subonderdeel 2.3, door onder de hiervoor geschetste omstandigheden zonder enige bewijsopdracht, althans zonder FAR ten minste in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten, in rechtsoverweging 2.9 te beslissen dat bij gebreke van een nadere respons door FAR het “verwijzingsverweer” van Edco wordt gehonoreerd. Gegeven het procesverloop en het partijdebat tot en met de behandeling na cassatie en verwijzing hoefde FAR met deze ‘verrassingsuitspraak’ niet te rekenen, aldus het subonderdeel.
productie 4overlegt en hierbij als herhaald en ingelast beschouwd, ook jegens FAR. Kern daarvan is dat de geleverde petten waarop de factuur ziet, non-conform zijn geleverd en Edco de oorspronkelijke overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft ontbonden.
herhaald en ingelastbeschouwd wenst te zien.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
rechtsklachtdient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Een
motiveringsklachtdient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Deze laatste eis houdt onder meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding.