Conclusie
“voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2.
“bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben”, 3.
“medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 5.
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”,6.
“in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals is”,7.
“overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan”,9.
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”en 10. subsidiair
“witwassen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.
eerste middelklaagt over de motivering van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering van het hof niet met voldoende bepaaldheid blijkt welk te plegen misdrijf de verdachte voor ogen stond.
kennelijk”, dat vooraf gaat aan de woorden “
bestemd tot”, komen te vervallen. [1] Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde wet volgt dat niet (meer) vereist is dat uit de aard of de eigenschappen van het voorwerp de objectieve bestemming tot het criminele doel blijkt, maar dat de subjectieve bestemming, het opzet van de dader, toereikend is voor strafbaarheid. [2] Het voorhanden hebben van alledaagse voorwerpen levert zodoende een strafbare voorbereiding op als bewijs kan worden aangedragen voor een criminele bestemming die de dader aan de voorwerpen heeft toegewezen. [3] De nadruk ligt op het opzet van de verdachte om met het voorwerp een strafbaar feit voor te bereiden. [4]
kennelijk(cursief DA) bestemd waren tot het in vereniging begaan van een ‘ripdeal’ (hetzij in de vorm van een diefstal met geweld, hetzij in de vorm van een afpersing). Daarmee heeft het hof – overeenkomstig de inhoud van de tenlastelegging – kennelijk abusievelijk de tekst van art. 46 (oud) Sr gebezigd. Hierover wordt evenwel niet geklaagd.
kennelijk” in de problemen heeft gebracht, en of het hof meer in het algemeen heeft verzuimd bewijs te leveren voor het misdadige doel dat de verdachte naar ’s hofs oordeel voor ogen heeft gestaan. Ik meen van niet. De wetgever heeft met de schrapping van het woord “
kennelijk” de wet in overeenstemming willen brengen met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Deze toonde zich geen voorstander van een ‘objectieve’ uitleg van dit bestanddeel en oordeelde dat veeleer de bedoeling van de dader bepalend is voor de bestemming van de voorwerpen. [5] Het verval van “
kennelijk” is in zoverre dus van geringe betekenis geweest. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring zo nodig met verbetering van deze misslag lezen. [6]
tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 6. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet op welke datum en op welke plaats het feit is gepleegd.
derde middelklaagt erover dat het hof ten aanzien van feit 10 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.