Conclusie
2.Ontvankelijkheid in het principale cassatieberoep
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1.2 [11] wordt opgekomen tegen de door het hof aan de man verstrekte bewijsopdracht en de bewijswaardering met betrekking tot de peildatum voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap. De daartegen geformuleerde klachten komen er in de kern op neer dat het hof heeft miskend dat de vrouw zich heeft beroepen op een uitzondering op de hoofdregel dat als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking geldt, zodat op de vrouw de bewijslast rust.
Aandeel vennootschap onder firma
€ 156.614,--
€ 156.614,--
Onderdeel 2.2 [36] voert aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Deze klacht richt zich in de kern tegen de visie van de deskundige zoals die door het hof is gevolgd en deelt daarom het lot van onderdeel 2.1.
onderdeel 3.2op grond van het voorgaande evenmin tot cassatie leiden.
Middel 5is gericht tegen de rechtsoverwegingen 18 en 19 (en het dictum) van de eindbeschikking, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Kosten deskundige
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Polis [001].
Conclusie deskundige
5.Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep
- vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2013 op het punt van de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals bepaald in rechtsoverweging 22 en 23 daarvan en wel voor zover het hof daarin de schulden van de man ter zake van de inkomstenbelasting ten bedrage van € 15.019,- en van de WAZ 2003 ten bedrage van € 451,- niet heeft betrokken en voorts voor zover de man is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling en na verrekening een bedrag van € 4.497,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande veertien dagen na betekening van deze beschikking;
- afdoening als hiervoor onder 4.11 vermeld.
- niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep tegen de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2008, 16 december 2009, 12 januari 2011, 10 augustus 2011, 20 juni 2012, 10 oktober 2012 en 31 juli 2013;
- verwerping van het cassatieberoep voor het overige.