Conclusie
eerste middelklaagt dat bij de berechting in hoger beroep art. 6 EVRM Pro is geschonden “doordat het hof requirant, die niet van rechtsbijstand was voorzien, niet heeft gewezen op de consequentie van het niet uitdrukkelijk ter zitting voordragen van grieven, die voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep door haar en haar partner waren ingediend en waarover requirant ter zitting verklaarde dat zij daarbij persisteerde.”
16.Het eerste middel faalt.
tweede middelvalt uiteen in twee klachten. Volgens de
eerste klachtheeft het Hof bij de bewezenverklaring van het feit de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
21.De tweede klacht ziet op de bewijsmotivering van het Hof.
27.Het tweede middel faalt in alle onderdelen.
derde middelklaagt in het bijzonder over schending van de artikelen 262 jo 261, eerst lid, Sr “doordat het hof heeft bewezenverklaard dat requirant de eer en goede naam van (ook) [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, terwijl het onderdeel van de bewezenverklaring waarin deze telastelegging wordt verfeitelijkt geen beschuldiging haar aangaande behelst, althans doordat het hof aan de in de telastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘telastelegging van bepaalde feiten’ een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het hof tengevolge hiervan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging”.
34.Het derde middel faalt.
vierde middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het medeplegen niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid zodat het bewijsoordeel ontoereikend is gemotiveerd.
38.Het vierde middel faalt.
bij de Hoge Raad der Nederlanden