Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de vrijspraak van de onder 1 tenlastegelegde oplichting, welk delict strafbaar is gesteld in art. 326 Sr Pro. Mede gezien de toelichting op het middel zou het Hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het oplichtingsmiddel “het aannemen van een valse hoedanigheid” dan wel zou het oordeel van het Hof daarover onbegrijpelijk zijn en/of ontoereikend zijn gemotiveerd.
enkeleomstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid als een bonafide lener, huurder of werkgever voordoet geen oplichting oplevert. [13] Er moet in de optiek van de Hoge Raad méér zijn dan de enkele omstandigheid van onwaarachtigheid of de enkele leugen. Pas als zich bijkomende omstandigheden voordoen, komt een strafbare oplichting of verduistering in het vizier. [14]
kopervoordoet een valse hoedanigheid aanneemt: dat “de enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een koper van onroerend goed die bereid en in staat is de koopsom daarvan bij of korte tijd na de overdracht van dat onroerend goed te voldoen, niet oplevert ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’ in de zin van art. 326 Sr Pro.”
tweede middelkeert zich tegen de vrijspraak van de alternatief aan de verdachte tenlastegelegde verduistering, welk delict strafbaar is gesteld in art. 321 Sr Pro. [19] Het Hof zou blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting nopens de in de tenlastelegging voorkomende begrippen “toebehorende aan”, dan wel “zich wederrechtelijk heeft toegeëigend”, dan wel is de gegeven vrijspraak gebaseerd op gronden die deze niet zonder meer kunnen dragen.