AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt regelmatige uitnodiging tot belastingaangifte ondanks adreswijziging binnen België
Belanghebbende, voormalig bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap die in 2001 failliet ging, deed geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2001. Hij stelde dat hij het aangiftebiljet en de aanmaning niet had ontvangen vanwege een onjuiste adressering, terwijl hij zijn adreswijziging binnen België via de loonadministrateur van zijn voormalige werkgever had doorgegeven. De Inspecteur stelde dat het aangiftebiljet aan het laatst bekende adres was verzonden en dat ontvangst niet vereist was voor een geldige uitnodiging tot aangifte.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat belanghebbende op regelmatige wijze was uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte, en dat het niet doen van aangifte aan zijn opzet te wijten was. De boete werd verminderd wegens tijdsverloop. In cassatie stelde belanghebbende dat de adreswijziging wel degelijk tijdig was doorgegeven en dat de Belastingdienst daardoor verantwoordelijk was voor de onjuiste adressering. Hij verwees naar een eerdere situatie waarin een aanslag onbestelbaar retour kwam en hernieuwd werd verzonden naar het nieuwe adres.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de loonbelastingkaart en begeleidende brief onvoldoende duidelijkheid boden om van de Belastingdienst te verlangen dat zij de adreswijziging als zodanig zou verwerken. Ook mag de Belastingdienst niet op grond van brieven van derden, zoals een bank, onderzoek doen naar adreswijzigingen. Van belanghebbende mocht worden verwacht dat hij waakzaam was en zijn adreswijziging zelf tijdig en duidelijk aan de Belastingdienst doorgeeft, zeker omdat hij in het buitenland woonde en aangifteplicht had. De Hoge Raad volgde deze lijn en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de boete wegens opzettelijk niet doen van aangifte wordt bevestigd.
Voetnoten
1.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
2.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit de processtukken waarin een tekstbewerking voorkomt, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
3.De in dit cassatieberoep in geding zijnde uitspraak van Hof Den Haag van 23 juli 2013, nr. BK-12/00391 en BK-12/00392, ECLI:NL:GHDHA:2013:3267, 4.De Inspecteur komt bij het Hof zowel op tegen de uitspraak van Rechtbank Breda van 29 april 2011, nr. AWB 06/5632, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ7728, 5.Wet van 2 juli 1959, Stb. 1959, 301.
19.P.G.H. Albert,
20.F.J.P.M. Haas,
21.L.A. de Blieck e.a.,
22.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie,
23.Zie onderdeel 4.9 van deze conclusie. Vergelijk; 4.8, 4.10, 4.19, en 4.20.
24.Zie 2.3.
25.Zie 2.3.
26.Zie in 4.3, artikel 2, lid 1, Uitvoeringsregeling AWR: Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, is de belastingplichtige aan wie niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, een aangiftebiljet is uitgereikt, gehouden bij de inspecteur een verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet. Zie ook 4.14 en 4.19.
27.Zie 2.3, Rechtbank r.o. 4.1.2 (slot): ‘De rechtbank is van oordeel dat, als onvoldoende weersproken, aannemelijk is dat de aanmaning eveneens is verzonden naar het laatst bekende adres van belanghebbende en derhalve op regelmatige wijze aan belanghebbende is uitgereikt.’ Ook dat oordeel neemt het Hof over in r.o. 7.1.2.
28.Zie 2.1. Die brief en de loonbelastingkaart van belanghebbende zijn door de Belastingdienst bij de Rechtbank overgelegd als Bijlage X. De loonbelastingkaart bevat geen voorgedrukte mededeling dat die niet kan worden gebruikt voor het doorgeven van adreswijzigingen; zie 4.9, r.o. 3.4.3, laatste volzin.
29.Vergelijk; 4.12 en 4.13.
30.Zie 2.6.
31.Zie 3.3; toelichting op het cassatiemiddel ad 5.
32.Vgl. 4.7, 4.15, 4.17 en 4.18.