Conclusie
onvoorwaardelijkincidenteel cassatieberoep ingesteld.
materiële procesbelangen niet om de vraag of het ergens goed voor was om niet tevens schade op te maken bij staat en verwijzing naar de schadestaat te vorderen.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de beoordeling van de toelaatbaarheid van een vordering die uitsluitend strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat aansprakelijkheid bestaat, zonder dat daarbij een vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld. De procedure vloeit voort uit een incident in 2006 waarbij de eiser werd aangereden door de verzekerde van AIG. Strafrechtelijk werd de verzekerde ontslagen van vervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer.
De eiser vorderde een verklaring voor recht omtrent de aansprakelijkheid van AIG, welke in eerste aanleg werd afgewezen maar in hoger beroep werd toegewezen. AIG stelde cassatieberoep in tegen deze toewijzing. De kernvraag is of de eiser voldoende belang heeft bij een dergelijke kale verklaring voor recht, en of de rechter dit ambtshalve moet toetsen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bespreekt de oude leer uit 1951, waarin werd geoordeeld dat een belang vereist is bij een verklaring voor recht en dat de rechter dit belang ambtshalve moet beoordelen. Hoewel deze leer mogelijk als formalistisch wordt gezien, acht de conclusie deze nog steeds relevant, met name om misbruik en onnodige procedures te voorkomen.
In deze zaak wordt overwogen dat het belang van de eiser niet duidelijk is gemaakt en dat het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering in beginsel passend is. Er wordt ook gewezen op het belang van efficiëntie en het voorkomen van onnodige vervolgprocedures. De conclusie luidt dat het onderdeel van het cassatieberoep faalt en dat de leer uit 1951 nog steeds van kracht is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Uitkomst: De vordering tot een kale verklaring voor recht wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang.