Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het Hof dat aan het verzuim de geheimhoudersgesprekken (onverwijld) te vernietigen in het onderhavige geval geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden en volstaan kan worden met de constatering dat een verzuim heeft plaatsgevonden, niet (zonder meer) begrijpelijk is.
“F. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
5. Geheimhoudersgesprekken
5.1
5.2
5 3
5.4
5.5
5.6
5.7
5.8
tweede middeldat blijkens de toelichting daarop uit twee klachten bestaat, keert zich tegen de bewezenverklaring van het (medeplegen van) witwassen (meermalen gepleegd).
.
crimineleherkomst van de voorwerpen heeft willen verhullen of verbergen en daarbij in aanmerking neemt dat de verdachte al voor het grondmisdrijf kan worden vervolgd, bijvoorbeeld voor vermogensdelicten als opzetheling en verduistering. Daar komt in het onderhavige geval dan nog bij dat reeds het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van de geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr is bewezenverklaard.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte het medeplegen van witwassen heeft gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”, aangezien het Hof een voortgezette handeling had moeten aannemen, nu uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het medeplegen van witwassen betrekking heeft op hetzelfde geld, in dezelfde periode is gepleegd en voortvloeit uit hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit van verzoeker.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.