Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de afwijzing van een aanhoudingsverzoek om stukken aan het dossier toe te voegen niet op grond van de juiste maatstaf heeft afgewezen dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.
tweede middelklaagt over de geldigheid van de inleidende dagvaarding voor wat betreft feit 1 onderdeel 2.
derde middelklaagt dat het hof de wijze waarop de verdachte ‘het kredietsysteem in het algemeen een BKR-toetsing uitvoert’, redengevend heeft geoordeeld voor het bewijs nu het hof de verdachte van dit onderdeel heeft vrijgesproken.
vierde middelklaagt over de bewijsconstructie voor zover het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte van bepaalde formulieren gebruik heeft gemaakt. Althans, zo leg ik het middel uit gelet op de toelichting hierop. Het middel zelf klaagt strikt genomen niet over de bewijsconstructie maar over de kwalificatiebeslissing ‘gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd’. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de formulieren heeft aangeboden. De tweede klacht houdt in dat geen sprake was van ‘gebruik maken van een vals of vervalst geschrift’ omdat geen sprake was van misleiding van een derde.
en
vijfdeen
zesde middelklagen over een samenstel van gedragingen dat ten laste van de verdachte onder 1 bewezen is verklaard. De middelen bevatten meerdere klachten over afzonderlijke onderdelen van de bewezenverklaring. Onder 1 zijn, verspreid over een viertal onderdelen afzonderlijke kwalificaties toegekend aan gedragingen die in onderling verband moeten worden beoordeeld. Dat is precies de reden waarom die gedragingen allemaal onder 1 ten laste zijn gelegd en niet als afzonderlijke feiten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking omdat ze zich richten tegen onderdelen van hetzelfde bewezen verklaarde feit die in onderling verband moeten worden beoordeeld.
Aanvraag Consumptief
zevende middelklaagt dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde feit ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd.
achtste middelklaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is doordat het hof met betrekking tot de onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feiten ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 althans Pro 56 Sr.
negende middelklaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij omdat het hof ‘niet heeft kunnen vaststellen dat een in eerste aanleg overgelegde volmacht aan de wettelijke eisen voldeed en derhalve of de benadeelde “…”’. In een fax-brief van 30 januari 2013 heeft mr. Jebbink als toelichting op de schriftuur geschreven dat op de plaats van ‘…’ gelezen dient te worden ‘partij op de wettelijk voorgeschreven wijze is vertegenwoordigd’. Op een dergelijke aanvulling van de schriftuur kan geen acht worden geslagen nu deze bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen buiten de termijn die voor het indienen van een schriftuur was gesteld.
heeftgevoegd, niet of hij zich heeft
willenvoegen. De vraag of ABN AMRO Bank zich heeft willen voegen, is echter wel van belang omdat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat indien niet zou zijn voldaan aan de vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht, de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, dan nadat haar door het openbaar ministerie of de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. [14] Dat betekent dat als het middel gegrond zou worden verklaard en dit zou leiden tot vernietiging van het arrest, de bank alsnog de gelegenheid zou moeten worden geboden een bijzondere schriftelijke volmacht te overleggen die aan de voorwaarden voldoet. Wat hiervan ook zij, nu het hof kennelijk heeft aangenomen dat zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 5] bevoegd waren ABN AMRO Bank te vertegenwoordigen, hoefde het hof de bank niet in de gelegenheid te stellen enig verzuim met betrekking tot de volmacht te herstellen.
tiende middelbevat twee klachten. Ten eerste klaagt het middel dat het hof de data waarop de wettelijke rente verschuldigd is onjuist heeft vastgesteld. Ten tweede klaagt het middel dat de inhoud van de opgelegde betalingsmaatregel strijdig is met de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de benadeelde partij.
- tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 115.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2005, waarbij de Hoge Raad voor wat dit onderdeel betreft de zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2008;
- vernietiging van het bestreden arrest voorzover het de beslissing over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.