Deze zaak betreft het cassatieberoep van Riamo Holdings GmbH tegen de beschikking van de Ondernemingskamer van 30 oktober 2013 in een complexe enquêteprocedure over het beleid en de gang van zaken van Novero Holdings B.V. De Ondernemingskamer had onder meer een tweede enquêteverzoek van Riamo afgewezen en verzoeken tot onmiddellijke voorzieningen slechts gedeeltelijk toegewezen.
De procedure speelt zich af tegen de achtergrond van een ernstig verstoorde verhouding tussen de twee 50%-aandeelhouders Arch Industries Holding B.V. en Riamo, en een nijpende financiële situatie van Novero. De Ondernemingskamer had tijdelijke bestuurders en een beheerder van aandelen benoemd en daarbij een terughoudende toetsingsmaatstaf gehanteerd. Riamo stelde dat deze toetsing onjuist was en dat de Ondernemingskamer onvoldoende bescherming bood aan haar eigendomsrechten, mede in het licht van het EVRM.
De Hoge Raad bevestigt dat de Ondernemingskamer op grond van art. 2:349a BW ruime bevoegdheden heeft om voorlopige voorzieningen te treffen, ook met mogelijke onomkeerbare gevolgen, mits een billijke belangenafweging plaatsvindt. De terughoudendheid bij toetsing van tijdelijke bestuurders en commissarissen is gerechtvaardigd. De klachten over onvoldoende toetsing van het eigendomsrecht en toepassing van het EVRM worden verworpen, evenals de klachten over procedurele aspecten en motivering. Het cassatieberoep wordt verworpen.