Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof bij de bewezenverklaring van feit 4 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs heeft gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen en de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] te toetsen, terwijl daarvoor aan de verdediging niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden.
derde middelklaagt dat het Hof het onder 6 bewezenverklaarde feit ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
bij de Hoge Raad der Nederlanden