Conclusie
NHU,
de gemeente,
1.Feiten
[betrokkene 1]) is indirect directeur-grootaandeelhouder van NHU. NHU is huurder van [het pand] (hierna:
het pand). [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) is eigenaar van het pand. Gebruikers van ruimtes in het pand kunnen tegen betaling van een op het dak van het pand geplaatste reclamevoorziening gebruik maken.
de Afdeling) heeft bij uitspraak van 8 juli 2015 het daartegen gerichte hoger beroep van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen (mijn onderstreping): [4]
Hiermee heeft de rechtbank niet onderkend dat de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden gelet op het bepaalde in artikel 5:21 juncto Pro artikel 5:31, eerste en tweede lid, van de Awb eerst ontstaat in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben voorafgaand aan de opschriftstelling van de beslissing op 18 juni 2013 alsook in bezwaar gemotiveerd betoogd dat zij artikel 114 van Pro de APV niet hebben overtreden en indien daarvan al sprake zou zijn, op minder ingrijpende wijze een eind aan de onveilige situatie gemaakt kan worden. Het college noch de rechtbank zijn op de in dit kader aangevoerde bezwaren ingegaan, zodat geen volledige heroverweging heeft plaats gevonden van het besluit tot toepassing van bestuursdwang, als gevolg waarvan het led-scherm nog steeds buiten werking is gesteld. Gelet daarop heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien door de bezwaren ongegrond te verklaren. Zij had (…) moeten volstaan met vernietiging van het bestreden besluit [van 10 oktober 2013], en het aan het college moeten overlaten om in het kader van een nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog in volle omvang op de in het bezwaarschrift van 23 juni 2013 naar voren gebrachte bezwaren te beslissen.(…).”
2.Procesverloop
de rechtbank) en, samengevat, gevorderd dat de rechtbank de gemeente veroordeelt tot betaling van (i) een vergoeding van de door NHU geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, (ii) een voorschot van € 670.892,00, (iii) de kosten ter vaststelling van de schade en (iv) de proceskosten. Aan die vordering heeft NHU, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat met de herroeping van het besluit van 18 juni 2013 door de gemeente is gegeven dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens NHU staat daarmee de verplichting tot vergoeding van de schade vast.
jegens NHUonrechtmatig is. De aanleiding voor die vraag was dat NHU, aan wie het besluit was gericht, niet zelf bezwaar en beroep tegen dat besluit heeft ingesteld, maar alleen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dat hebben gedaan. De rechtbank heeft deze vraag aldus beantwoord dat in beginsel jegens NHU van de formele rechtskracht van het besluit van 18 juni 2013 dient te worden uitgegaan, nu NHU de voor haar openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang niet heeft benut. Volgens de rechtbank is in dit geval evenwel een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht gerechtvaardigd omdat de gemeente de onrechtmatigheid van het besluit in de nieuwe beslissing op bezwaar van 13 november 2015 onvoorwaardelijk heeft erkend (rov. 3.3-3.9).
het hof). Bij arrest van 17 december 2019 [6] heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
jegensNHU (rov. 3.12).
condicio sine qua non-verband bestaat komt het erop aan welk rechtmatig besluit zou zijn genomen en of dit besluit dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Als niet aan beide voorwaarden is voldaan, ontbreekt het
condicio sine qua non-verband. Dat is hier het geval (rov. 3.17). Aangezien het hier ging om reclame-uitingen waardoor het verkeer in gevaar werd gebracht en ernstige hinder voor de omgeving ontstond (in strijd met art. 114 APV Pro) mocht de gemeente handhavend optreden om de led-verlichting buiten werking te stellen (rov. 3.18). Het vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de geclaimde schade ontbreekt derhalve.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
indirectdirecteur-grootaandeelhouderschap, is die beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus het middel.
over de rechtsgeldigheidvan het aangevochten besluit.
namensdeze te zijn ingediend. Ik citeer de reeds in 2.5 genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004: [14]
jegens NHU. Subonderdeel 1.1 is daarom vergeefs voorgesteld.
enigaandeelhouder is en dat NHU onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belangen identiek zijn aan die van [betrokkene 1] en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan (zie reeds 2.5 hiervoor).
Amsterdam/[…] [22] (de voetnoten zijn in het citaat niet opgenomen): [23]
erga omnesis vernietigd, de burgerlijke rechter dat besluit jegens een partij die als belanghebbende langs bestuursrechtelijke weg tegen dat besluit had kunnen opkomen, maar zulks heeft nagelaten, voor rechtmatig heeft te houden. Als een besluit door de bestuursrechter is vernietigd, doet dat niet jegens een ieder vaststaan dat het betrokken besluit onrechtmatig is. De onrechtmatigheid van het betrokken besluit staat daarmee slechts vast jegens de belanghebbende die het rechtsmiddel heeft ingesteld dat tot de vernietiging heeft geleid. (…)
tussen dezelfde partijen(art. 236 Rv Pro). Weliswaar is art. 236 Rv Pro op uitspraken van de bestuursrechter niet rechtstreeks van toepassing, maar de Hoge Raad heeft meer dan eens met het gezag van gewijsde vergelijkbare noties op uitspraken van de bestuursrechter toegepast. Zo overwoog de Hoge Raad in de zaak
[…]/Nederweertdat de in die zaak aan de orde zijnde uitspraak van de Afdeling
condicio sine qua non-verband (hierna:
csqn-verband) wat een feitelijk en geen normatief criterium is. [24]
had kunnennemen. Dit is de oude toets voor het vaststellen van causaal verband bij besluitenaansprakelijkheid. De onjuiste rechtstoepassing volgt expliciet uit rov. 3.20, waarin het hof heeft geoordeeld het verweer van de gemeente te honoreren dat zij handhavend
had kunnenoptreden, aldus het middel.
zou hebbenbeslist indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Dat is, sinds het arrest
Hengelo/[…] [25] en voor een belastend besluit sinds het arrest
UWV/X, [26] de juiste maatstaf. Ook bij besluitenaansprakelijkheid de ‘gewone’ csqn-toets moet worden toegepast. [27]
condicio sine qua non-verband) dient in deze tweede categorie van gevallen te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan
zou hebbenbeslist of gehandeld indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen.”
zou zijnopgetreden.”
zou zijnopgetreden tegen het in werking hebben van de led-verlichting.”
zouhet college van B en W, indien het zich ervan bewust was geweest dat het geen spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen, een beschikking tot toepassing van bestuursdwang zoals bedoeld in artikel 5:24 Awb Pro wegens overtreding van artikel 114 APV Pro
hebbengegeven om de led-verlichting buiten werking te stellen en zou zij dit ook hebben mogen doen.”