Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een op de terechtzitting van 29 mei 2012 door de verdediging gedaan verzoek tot het horen van [getuige] met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen.
tweede en derde middelzien op de zogeheten afleveringsrapporten, aan de hand waarvan kan worden bepaald of een stille sms is afgeleverd. Het hof zou ten onrechte de procedure op de voet van art. 187d Sv niet hebben geëntameerd. In een dergelijke procedure zou kunnen worden beoordeeld of de afleveringsrapporten moeten worden geopenbaard (middel 2). Het hof zou eveneens ten onrechte zijn teruggekomen van een eerdere beslissing, inhoudende dat de afleveringsrapporten aan het dossier moeten worden toegevoegd (middel 3). De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
vierde middelbevat de klacht dat de bewezen verklaarde periode ten aanzien van de feiten 1 en 3 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. In het bijzonder zou de begindatum van 1 juni 2010 niet uit de bewijsmiddelen volgen.
hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 juni 2010 te Meer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine heeft bereid, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3:
hij in de periode van 1 juni 2010 tot en met 30 juni 2010 te Tilburg en Kerkdriel en Meer (België), tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten; immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders toen en daar:
- grondstoffen en hardware bestemd voor de productie van amfetamine voorhanden en aanwezig gehad;
- ruimten ter beschikking gehad.”
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof een verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van de resultaten van de uitgevoerde observaties na 22 juni 2010 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
Tussentijdse beëindiging van het onderzoek
zesde en zevende middelkomen op tegen oordelen van het hof ten aanzien van de inzet van de zogenaamde “stille sms”. Het zesde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat door het gebruik van het middel van de stille sms niet in betekenende mate inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de persoon die het telefoontoestel bij zich heeft waarnaar de stille sms wordt gezonden. Het zevende middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het gebruik van de stille sms als zodanig geen bijzondere risico’s oproept voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Begoniazaak oordeelde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch evenwel anders. [11] Ook in deze arresten nam het hof tot uitgangspunt dat de inzet van de stille sms niet meebrengt dat gebruik wordt gemaakt van een technisch hulpmiddel in de zin van art. 126ee Sv. Gelet op de risico’s voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, mede bezien in het licht van de potentie van de stille sms om een betekenisvolle inbreuk te maken op de privacy van de desbetreffende gebruiker van de telefoon, achtte het hof niettemin een bijzondere wettelijke grondslag voor het gebruik van deze opsporingsmethode noodzakelijk. Een kleine twee maanden later zag het bestreden arrest het licht, waarin de inzet van de stille sms – in lijn met het arrest van 14 februari 2013 – wel als rechtmatig werd beschouwd. [12]
(…)
“Het Wetboek van Strafvordering bevat geen systematische beschrijving van opsporingsbevoegdheden. Het is niet de bedoeling geweest van de concipiënten van het wetboek om het opsporingsonderzoek systematisch te beschrijven, maar om bevoegdheden te creëren ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening van delicten. Leidend daarbij is geweest dat bevoegdheden die ingrijpen op de vrijheid of op andere grondrechten van burgers, een specifieke regeling behoeven. De regeling behoeft niet uitputtend te zijn.”