Conclusie
onteigendendie in vennootschap onder firma-verband bedrijfsschade lijden niet toepasbaar is als het gaat om
huurdersdie in vennootschap onder firma-verband bedrijfsschade lijden. Ook de proceskostenveroordeling wordt bestreden.
1.Procesverloop
3.Inleiding, kernpunten van het debat en het oordeel van de rechtbank
4.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 1komt de Gemeente op tegen rechtsoverweging 2.17 van het tussenvonnis en rov. 2.8 e.v. van het eindvonnis. Betoogd wordt dat het oordeel van de rechtbank dat aan [verweerder] de volledige bedrijfsschade van de door hem (mede) gedreven vennootschap dient te worden vergoed omdat hij de door hem gehuurde bedrijfsruimte ter beschikking heeft gesteld aan de onderneming en dat gelet op de vennootschappelijke verhouding waarin [verweerder] zich op de peildatum bevond de redelijkheid met zich brengt dat op hem de verplichting rust de schade die de vennootschap dientengevolge lijdt aan de vennootschap te voldoen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Tot de door [verweerder] als huurder geleden schade behoort volgens de klacht niet de schade die de vennootschap lijdt als gevolg van het niet meer ter beschikking staan van de bedrijfsruimte. Volgens de klacht heeft de rechtbank ten onrechte aansluiting gezocht bij de twee door haar in rov. 3.17 van het tussenvonnis genoemde arresten van Uw Raad uit 1972 en 1973, waarin het niet ging om een huurder die het onteigende samen met een ander exploiteerde maar om de onteigende zelf die in maatschaps- of vennootschapsverband met een ander het onteigende exploiteerde.
eigenaarvan de onteigende bedrijfsruimte maar slechts
huurder. Ik heb geen rechtspraak van Uw Raad gevonden waarin deze vraag in de ene of de andere zin wordt beantwoord. Ik denk evenwel dat het juiste antwoord luidt: ja.
de eigenaar, levert dus geen valabel argument op voor de opvatting dat een huurder geen (volledige) schadeloosstelling op de voet art. 40 toekomt Pro.
ter beschikking heeft gesteldaan de onderneming. Dat oordeel geeft, wat mij betreft en gezien het hierboven betoogde, geen blijk van enige onjuiste rechtsopvatting. Voor de beantwoording van de vraag of al dan niet de volledige bedrijfsschade moet worden vergoed, maakt het niet uit onder welk juridisch etiket de vennootschap onder firma bij haar bedrijfsvoering gebruik maakte van de door [verweerder] van [betrokkene 2] gehuurde bedrijfsruimte. Voor toekenning van de volledige bedrijfsschade behoefde dus niet vast te staan dat vennoot [betrokkene 1] medehuurder was, of zoiets. De rechtbank behoefde, wat mij betreft, in haar eindvonnis niet meer in te gaan op de hier bedoelde stellingen van de Gemeente.
klacht 2wordt opgekomen tegen de rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10 van het eindvonnis. De klacht valt uiteen in drie onderdelen, genummerd 14, 15 en 16, waarvan de nrs. 15 en 16 gericht zijn tegen rov. 2.10 van het eindvonnis. Ik houd het ervoor dat nr. 14 klaagt over rov. 2.9. Zoals uit het bovenstaande al valt af te leiden meen ik dat het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat [verweerder] geen eigenaar was maar huurder, niet eraan in de weg staat dat hem de volledige bedrijfsschade van de door hem in vennootschapsverband met [betrokkene 1] geëxploiteerde onderneming behoort te worden vergoed, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
“De afgelopen jaren is dat vanaf 1 januari 2008 wel het geval geweest (…)”en (b) dat de vraag of [verweerder] zelf als exploitant bij de bedrijfsruimte betrokken is, niet valt te vereenzelvigen met de vraag of het huurcontract eraan in de weg stond dat [verweerder] in het onteigende een onderneming exploiteerde in samenwerking met een ander.
geen sprake was van een exploitatievergunningniet heeft aangetoond. [28]
klacht 3lijkt voort te bouwen op de voorgaande klachten en deelt het lot daarvan.
klacht 7belanden we bij de proceskosten. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft nagelaten te responderen op het Gemeentelijke verzoek [verweerder] op de voet van art. 50 lid 3 Ow Pro in de proceskosten te veroordelen.
“Zodra de eigenaar van bovengenoemd object echter is gedagvaard zal deze dagvaarding aan huurder worden overbetekend, zoals beschreven in onze brief van 29 september 2010. De jaarcijfers van de onderneming [B] v.o.f. zien wij gaarne tegemoet, opdat wij een schadevergoedingsberekening kunnen maken en er wellicht nog tijdig minnelijk uit kunnen komen.”Vervolgens heeft de toenmalige advocaat van de vennootschap onder firma bij brief van 22 oktober 2010, [38] vijf dagen voordat de inleidende dagvaarding aan [betrokkene 2] werd uitgebracht, jaarcijfers van het restaurant [B] over de jaren 2006-juni 2010 naar [betrokkene 4] gezonden, met mededeling dat de fiscale stukken waren opgevraagd bij de cliënt. Daarna vernam [B] niets meer van de Gemeente totdat zij op 1 november 2010 een afschrift ontving van de dagvaarding, [39] waarin aan de vennootschap onder firma als huurder een schadeloosstelling van nihil werd aangeboden. [40] Ik heb in de stukken niet gelezen dat de Gemeente deze gang van zaken heeft betwist.
klacht 8gaat over de proceskosten, en wel de kosten die mr. Rookhuijzen over de periode van 3 juli 2009 tot en met 2 februari 2012 (de rechtbank spreekt van: “periode 1”) in rekening heeft gebracht. De rechtbank heeft in de rov. 2.31-2.33 van het eindvonnis het verweer van de Gemeente daartegen op enkele punten gevolgd en enige bedragen van bepaalde declaraties van mr. Rookhuijzen als onvergoedbaar aangemerkt. De klacht is gericht tegen het oordeel (rov. 2.33) dat voor het overige niet althans onvoldoende concreet door de Gemeente is onderbouwd dat de andere declaraties over periode 1 niet aan de redelijkheidstoets voldoen. Volgens de Gemeente is dit oordeel ondeugdelijk met redenen omkleed, in verband waarmee de klacht wijst op een aantal door de Gemeente i.f.i. gebezigde, door de rechtbank niet kenbaar in de motivering van haar oordeel betrokken, argumenten.
eo ipsoniet aan de redelijkheidstoets voldoen.
klacht 9smeult het debat na over de vraag of de schadeloosstelling al of niet moet worden begroot op basis van verplaatsing van het restaurant (naar het adres [b-straat 1]). Als ik de niet gemakkelijk te begrijpen klacht goed versta heeft de Gemeente bij de rechtbank betoogd dat de opgevoerde kosten van de mrs. Van Delden en Van der Zwan over de periode van 7 februari 2012 tot en met 6 september 2012 niet redelijk zijn, omdat die advocaten in die periode met betrekking tot de vraag verplaatsing-of-liquidatie namens [verweerder] een verkeerd standpunt hebben ingenomen aangaande de mogelijkheid van verplaatsing naar genoemd adres, en klaagt zij nu dat de rechtbank op dat betoog had moeten ingaan.