Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
aangifte van de AFMvan 29 juni 2007, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (doorgenummerde dossier pagina 40 e.v. behorende bij overzichtsproces-verbaal nummer 41918, opgemaakt door [verbalisant], op 22 juni 2009):
[A]p.3: ln 1998 heeft de beursgang plaatsgevonden van [B] N.V. In 2003 is [B] gefuseerd met [A]. De naam [B] N.V. is per 2 mei 2006 gewijzigd in [A] N.V. p.15: Het bestuurslid van [A], [verdachte], is een cliënt van Rabobank Nederland. [verdachte] houdt een effectenrekening aan bij Rabobank Nederland. Op 21 februari 2007 heeft de AFM een melding van Rabobank Nederland gekregen van een redelijk vermoeden van handel met voorwetenschap door [verdachte] met betrekking tot de transacties in het aandeel [A].
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2012 zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende:
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 I maart 2010, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (pagina 2):
agenda met toelichting voor de Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders van [A], zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (doorgenummerde dossierpagina 132):
Te houden op maandag 18 december 2006
In Utrecht
e-mailbericht van 13 november 2006, te 14.02 uur van [betrokkene 1], gericht aan het e-mailadres van [betrokkene 2] en de verdachte(bijlage nummer 2 bij het op ambtseed opgemaakte overzichtproces-verbaal van 22 juni 2009), inhoudende:
From: [betrokkene 1] [[e-mailadres 1]]
Sent: maandag 13 november 2006 14.02
To: [betrokkene 2];
[e-mailadres 2]CC: [betrokkene 4]; [betrokkene 8]
Subject: Meeting ING / PARCOM
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2012 en inhoudende:
een biedingsbericht van Parcom Ventures B.V. van 21 december 2006 , gericht aan Prime Technology Ventures II(onderdeel van bijlage nummer 2 bij het op ambtseed opgemaakte overzichtproces-verbaal van 22 juni 2009), inhoudende:
persbericht van [A] [C] van 3 januari 2007(dossierpagina 66), inhoudende:
memo van 17 december 2006(bijlage 3, gehecht aan het op 25 januari 2010 opgemaakte proces-verbaal PV-009), onder meer inhoudende:
verklaring van de getuige [betrokkene 8](GO 1-01, doorgenummerde dossierpagina's 20 en 22), - zakelijk weergegeven en voor zover van belang-,inhoudende:
memo van 1 mei 2007 met als onderwerp "chronologie aankoop [A] belang", inhoudende (dossierpagina 181):
e-mailbericht van [betrokkene 3] van 21 december 2006, 22.44 uur, gericht aan [betrokkene 8] (los toegevoegd als onderdeel van bijlage 2, van het aanvullend proces-verbaal, dossiernummer 41918, opgemaakt door [verbalisant] op 14 december 2009),onder meer inhoudende zakelijk weergegeven en voor zover van belang:
nieuwsbericht van het ANP van 3 januari 2007, met de titel "Stockwatch [A] 60 procent hoger na fusie bericht", gevoegd bij brief van de AFM van 13 november 2009 aan het functioneel parket, inhoudende zakelijk weergegeven en voor zover van belang:
e-mailbericht van 16 december 2006, 08.40, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (D/6 doorgenummerde dossierpagina 232):
Van: [verdachte]
Aan: [betrokkene 11]; [betrokkene 12]
Ik overweeg maandag of dinsdag nog aandelen bij te kopen. Het gaat me er even om om te bepalen vanaf welk moment dat kan zonder dat ik weer in aanmerkelijk belang terecht kom.
e-mailbericht van 16 december 2006, 08.45, zakelijke weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (D/6 doorgenummerde dossierpagina 232):
Aan: [betrokkene 2] ; [betrokkene 9]
Formeel staat in onze interne regeling dat er binnen 6 maanden geen tegengestelde transacties mogen plaatsvinden. Zie onderstaande mail. Ik heb uiteraard geen enkele intentie om te gaan speculeren met onze eigen aandelen maar zie een harde beperking van enige verkoop van het aandeel [A] toch als een grote beperking van mijn flexibiliteit in deze.
e-mailbericht van 16 december 2006, 12.56, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende (D/6, doorgenummerde dossierpagina 23 1):
Van: [betrokkene 2]
Aan: [verdachte]; '[betrokkene 9]'
e-mailbericht van 16 december 2006, 13.26,zakelijk weergegeven en voor zover van belang inhoudende (D/6 doorgenummerde dossierpagina 231):
To: [betrokkene 2]; '[betrokkene 9]'
verklaring van de getuige [betrokkene 10](G03-02, doorgenummerde dossierpagina 32), zakelijk weergegeven en voor zover van belang, inhoudende:
a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd;
b. in of vanuit Nederland in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in een andere lid-staat of die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs die is gevestigd en van overheidswege toegelaten in een staat die geen lid-staat is, of in effecten waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd; of
c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten, niet zijnde effecten als bedoeld onder a of b, waarvan de waarde mede wordt bepaald door de onder a of b bedoelde effecten.
2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken vanwege het feit dat zij het dagelijks beleid bepalen of mede bepalen, dan wel toezicht houden op het beleid en de algemene gang van zaken van de rechtspersoon, vennootschap of instelling die effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste lid, waarop de voorwetenschap betrekking heeft;
b. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken vanwege het feit dat zij beschikken over een gekwalificeerde deelneming in de rechtspersoon, vennootschap of instelling, die effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste lid, waarop de voorwetenschap betrekking heeft;
c. natuurlijke personen of rechtspersonen die toegang hebben tot informatie als bedoeld in het vierde of vijfde lid uit hoofde van de uitoefening van werk, beroep of functie;
d. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken uit hoofde van betrokkenheid bij strafbare feiten.
3. Het is een ieder die niet behoort tot een in het tweede lid genoemde categorie en die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij over voorwetenschap beschikt, verboden om gebruik te maken van die voorwetenschap door:
a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;
b. in of vanuit Nederland een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder b; of
c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder c.
4. Voorwetenschap is bekendheid met informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in deze effecten, welke informatie niet openbaar is gemaakt en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten.
(…)”
(…) Informatie wordt ook als openbaar gemaakte informatie aangemerkt wanneer deze door perspublicaties algemeen kenbaar is geworden bij het publiek.” [2]
tweede middelkeert zich tegen (de motivering van) de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de openbaarmaking van de vier bijzonderheden waarmee het de verdachte bekend heeft geacht, naar redelijkerwijs te verwachten viel, significante invloed op de koers van het effect [A] zou kunnen hebben.
“De koersgevoeligheid van de informatie
Indien transacties in effecten zijn uitgevoerd met voorwetenschap van gegevens die naar de ervaring leert niet koersgevoelig zijn en die dat ook niet zijn gebleken, kan dit voor de betrokkene wellicht wel enig voordeel hebben opgeleverd, maar brengt hem niet onder het bereik van de voorgestelde strafbepaling. Bij de beoordeling van de vraag wanneer van een (te verwachten) relevante invloed op de koers kan worden gesproken zal de rechter in deskundigenverslagen van de Vereniging voor de Effectenhandel een belangrijke steun kunnen vinden.” [10]
derde middelklaagt over de kwalificatie. De steller van het middel voert aan dat het hof het bewezen verklaarde niet als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 46 (oud) Wte 1995 had kunnen kwalificeren, doordat in de bewezenverklaring niet is opgenomen dat de verdachte
gebruikheeft gemaakt van voorwetenschap.