Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
Verzoeker is aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap en heeft cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten. Het gerechtshof verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in een vordering tot herroeping. Verzoeker diende vervolgens een cassatieverzoekschrift in zonder ondertekening door een advocaat, wat wettelijk verplicht is volgens art. 426a lid 1 Rv.
De griffier wees verzoeker op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad, maar verzoeker herstelde dit verzuim niet. Verzoekers argument dat geen advocaat bereid was de zaak te behandelen, kon de wettelijke eis niet opzij zetten. De Deken van de Orde van Advocaten kan een advocaat aanwijzen en rechtsbijstand via toevoeging is mogelijk.
Daarnaast was de gekozen rechtsingang onjuist; cassatieberoep had via dagvaarding moeten worden ingesteld. De wisselbepaling van art. 69 lid 1 Rv Pro kan herstel mogelijk maken, maar alleen nadat aan alle ontvankelijkheidseisen is voldaan. Omdat het verzoekschrift niet aan deze eisen voldeed, kwam de cassatierechter niet toe aan toepassing van art. 69 Rv Pro.
De conclusie is dat het cassatieverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit oordeel volgt eerdere jurisprudentie en wettelijke bepalingen omtrent verplichte procesvertegenwoordiging en procedurele eisen.
Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ondertekening door een advocaat.