ECLI:NL:PHR:2014:82

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2014
Publicatiedatum
28 februari 2014
Zaaknummer
14/00641
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 InvorderingswetArt. 426a lid 1 RvArt. 407 lid 3 RvArt. 13 AdvocatenwetArt. 12 Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieverzoek bij ontbreken ondertekening door advocaat

Verzoeker is aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap en heeft cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten. Het gerechtshof verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in een vordering tot herroeping. Verzoeker diende vervolgens een cassatieverzoekschrift in zonder ondertekening door een advocaat, wat wettelijk verplicht is volgens art. 426a lid 1 Rv.

De griffier wees verzoeker op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad, maar verzoeker herstelde dit verzuim niet. Verzoekers argument dat geen advocaat bereid was de zaak te behandelen, kon de wettelijke eis niet opzij zetten. De Deken van de Orde van Advocaten kan een advocaat aanwijzen en rechtsbijstand via toevoeging is mogelijk.

Daarnaast was de gekozen rechtsingang onjuist; cassatieberoep had via dagvaarding moeten worden ingesteld. De wisselbepaling van art. 69 lid 1 Rv Pro kan herstel mogelijk maken, maar alleen nadat aan alle ontvankelijkheidseisen is voldaan. Omdat het verzoekschrift niet aan deze eisen voldeed, kwam de cassatierechter niet toe aan toepassing van art. 69 Rv Pro.

De conclusie is dat het cassatieverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit oordeel volgt eerdere jurisprudentie en wettelijke bepalingen omtrent verplichte procesvertegenwoordiging en procedurele eisen.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ondertekening door een advocaat.

Conclusie

14/00641
Mr. F.F. Langemeijer
21 februari 2014
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland
1. Verzoeker tot cassatie is door de Ontvanger op grond van art. 36 Invorderingswet Pro aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap. De procedure is geëindigd met de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2007 [1] .
2. Bij arrest van 24 september 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot herroeping van het arrest van 30 oktober 2007.
3. Bij brief van 30 november 2013, gericht aan de Hoge Raad, heeft verzoeker bezwaren ingebracht tegen het arrest van 24 september 2013 en verzocht deze zaak (in cassatie) te behandelen. De griffier heeft verzoeker bij brief van 12 december 2013 gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft dit verzuim niet hersteld. Gelet op het bepaalde in art. 426a lid 1 (en art. 407 lid Pro 3) Rv, is het verzoek niet ontvankelijk.
4. In zijn toelichting en in opeenvolgende brieven van 2 december 2013, 18 december 2013 en 23 januari 2014 heeft verzoeker te kennen gegeven, geen advocaat bij de Hoge Raad bereid te hebben gevonden om zijn zaak in cassatie te behandelen. Dit argument kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Op grond van art. 13 Advocatenwet Pro kan de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Indien verzoeker voor een toevoeging in aanmerking komt, kan rechtsbijstand worden verleend op de voet van art. 12 Wet Pro op de rechtsbijstand door toevoeging van een advocaat bij de Hoge Raad.
5. In het onderhavige geval doet zich de complicatie voor, dat tevens een verkeerde rechtsingang is gekozen: cassatieberoep had in dit geval bij dagvaarding moeten worden ingesteld (art. 385 Rv Pro). Art. 69 lid 1 Rv Pro, ook in cassatie van toepassing [2] , schrijft voor dat indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding (of omgekeerd), de rechter zo nodig de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn, op kosten van de aanlegger, het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De procedure geldt dan als aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening. Het is niet helemaal duidelijk hoe, ingeval van cumulatie van fouten, de “wissel”-bepaling van art. 69 lid 1 Rv Pro zich verhoudt tot de hersteltermijn van 14 dagen, zoals deze volgt uit de jurisprudentie over gevallen waarin de juiste rechtsingang was gekozen (een verzoekschrift) maar ondertekening door een advocaat (hier: een advocaat bij de Hoge Raad) was nagelaten [3] . In herinnering wordt gebracht dat art. 123 Rv Pro voor het verzuim om een advocaat te stellen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg (titel 2 van Boek 1 Rv) een bijzondere regel geeft [4] .
6. Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv Pro, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend. Deze volgtijdelijke uitleg brengt mee dat eerst aan alle vereisten voor indiening van een verzoekschrift in cassatie moet zijn voldaan (zoals de ondertekening door een advocaat, betaling griffierecht enz.). Indien het cassatieverzoekschrift reeds afstuit op een van die ontvankelijkheidsvereisten, zoals in dit geval, komt de cassatierechter niet meer toe aan toepassing van art. 69 Rv Pro.
7. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Zie HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6017, NJ 2006/30, gevolgd door HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0855.
2.Vgl. Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 2 en 6 bij artikel 69 (A. Knigge). Zie ook: HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, NJ 2005/348.
3.HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586.
4.Deze bepaling is in hoger beroep van overeenkomstige toepassing: zie art. 353 Rv Pro. Zie voor de verzoekschriftprocedure: art. 281 resp Pro. art. 362 Rv Pro.