ECLI:NL:HR:2009:BK0855
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid bestuurder voor belastingschulden volgens Invorderingswet 1990
In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36 lid 3 van Pro de Invorderingswet 1990 en of er een causaal verband bestond tussen dit bestuur en het onbetaald blijven van belastingschulden. De zaak is een vervolg op een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2005, waarin het geding werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Het hof heeft bij arrest van 30 oktober 2007 de eerdere vonnissen van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat eiser als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor de belastingaanslagen en invorderingsrente. Tevens heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd voor zover deze in reconventie waren gewezen.
Eiser heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld, maar de Hoge Raad heeft het beroep verworpen. De klachten in het cassatieberoep werden niet gegrond bevonden en er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de belastingschulden volgens de Invorderingswet 1990.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor belastingschulden wordt bevestigd.