Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] van het bewijs moet worden uitgesloten.
tweede middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot een alternatief scenario, dat een andere garage verantwoordelijk kan worden gehouden voor het klonen van de auto’s.
derde middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de auto’s uit zaakdossiers 306 en 310 door misdrijf verkregen goederen betroffen.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.